Aardrijkskunde

3. Verstedelijking

Gegeven door:
Sjors de Slager
Beschrijving Begrippen Examenvragen

Verstedelijking. Wat betekent dat nou eigenlijk? Is het zo logisch als het klinkt of ligt het wat gecompliceerder? Ga maar uit van het laatste... Gelukkig hebben wij er een video over gemaakt die alles uitlegt wat met dit proces te maken heeft. Alles wat je moet weten voor je aardrijkskunde examen komt aan bod!

Centrumlanden

De landen die het meest ontwikkeld en welvarend zijn.

Semi-periferielanden

Landen die wat betreft economische en politieke macht tussen het centrum en de periferie in zitten.

Periferielanden

Landen die minder ontwikkeld zijn en op politiek en economisch gebied afhankelijk zijn van het centrum.

Urbanisatie

De verhuizing van mensen van het platteland naar de stad.

Urbanisatiegraad

Het percentage van de bevolking dat in steden woont.

Wereldstad

Een stad die een mondiaal beslissingscentrum is op economisch en politiek gebied. Zo’n stad is een knooppunt in mondiale kapitaal- en informatiestromen en is ook op cultureel gebied vaak toonaangevend.

Megastad

Een stad met meer dan 10 miljoen inwoners.

Megalopolis

Een enorm uitgestrekt stedelijk gebied die bestaat uit meerdere onderling sterk verbonden metropolen.

Metropool

Een moederstad die bestaat uit een grote centrale stad met voorsteden en daaromheen een dichtbevolkte rand zone.

Edge cities

Een nieuw stedelijk centrum rondom een stad in de buurt van rondwegen en verkeersknooppunten met een uitgebreid voorzieningenniveau.

Suburbs

Een voorstad met vooral een woonfunctie voor de midden- en hogere inkomensklassen.

Hub

Een knooppunt bij het internationale transportnetwerk.

ln de koloniale tijd investeerden West-Europese landen in de aanleg van infrastructuur in Afrika.

Geef aan waarom:

  • de West-Europese landen juist in de aanleg van infrastructuur investeerden;
  • deze infrastructuur na de koloniale tijd nauwelijks een bijdrage leverde aan de economische ontwikkeling van Afrikaanse landen.
A1. Gebieden op grens van arm en rijk

A2. Samenhangen en verschillen in de wereld