Biologie

5. Overzicht immuniteit

Gegeven door:
Richard Mozes
Beschrijving Begrippen Examenvragen

Deze online kennisclip voor biologie geeft uitleg over de verschillende vormen van immuniteit.

Antigeen

Lichaamsvreemde stof of cel die zorgt voor de vorming van antistoffen.

Antigeen-presenterende cel (APC)

Nadat een macrofaag een ziekteverwekker heeft opgenomen door fagocytose, presenteert het stukjes van de antigenen op het celmembraan. Dit is een "antigeen presenterende cel".

Antistof

Plasma-eiwit (= immunoglobuline) die antigenen bindt.

B-Lymfocyt

Type lymfocyt, die o.a. in het beenmerg geproduceerd wordt. Een B-lymfocyt produceert antistoffen.

Geheugencellen

Een geheugencel is een bepaalde lymfocyt, die bij herhaalde infecties hetzelfde antigeen herkent en een snelle afweerreactie mogelijk maakt.

Immunisatie

Het immuun worden voor een bepaalde ziekte, men is gedurende een bepaalde tijd niet meer vatbaar is voor een bepaalde ziekte.

Immuun

Weerstand tegen een bepaalde ziekte. De immuniteit kan actief of passief verworven zijn.

Lymfocyt

Bepaald type witte bloedcellen. Lymfocyten hebben een grote kern. (zijn diverse soorten lymfocyten).

Plasmacellen

Rijpe B-lymfocyt die antistoffen produceert.

Macrofaag

Grote witte bloedcel, die fagocyteert.

Resusfactor

Kenmerkend antigeen van rode bloedcellen. (Bloed met dit antigeen wordt resuspositief genoemd, bloed zonder dit antigeen wordt resusnegatief genoemd).

Specifieke afweer

Afweer gericht tegen 1 type ziekteverwekker.

T-Helpercel

Type witte bloedcel die B-lymfocyten en T-lymfocyten kan activeren tijdens de specifieke afweer.

T-lymfocyt

Witte bloedcel die in de thymus uit voorlopercellen ontwikkelt. Een T-lymfocyten is betrokken bij afweerreacties.

Een aantal dromedarissen werd ziek. Toen de ziekteverwekker bekend was, kon de bron van infectie worden opgespoord. Hiervoor werd bloed van een groot aantal schapen, geiten en dromedarissen onderzocht. Van de dromedarissen bleek 74% met het virus in aanraking te zijn geweest. 

Hoewel bij deze dromedarissen het virus zelf niet altijd aan te tonen was, kon worden aangetoond dat de dieren immuun waren geworden voor het virus en dus ermee besmet moeten zijn geweest.

Welke vorm van immuniteit hebben deze dromedarissen verwonderen voor dit virus?
A - Kunstmatige actieve immuniteit
B - Kunstmatige passieve immuniteit
C - Natuurlijke actieve immuniteit
D - Natuurlijke passieve immuniteit

A1: Stofwisseling van de cel

A2: Stofwisseling van het organisme

A3: Zelfregulatie van het organisme

A4: Afweer van het organisme

A5: Waarneming door het organisme

A6: Regulatie van ecosystemen