Geschiedenis

3. Wetenschappelijk denken en het Romeinse Rijk (Kenmerk 4,5&6)

Gegeven door:
Rick Ouwehand
Beschrijving Begrippen Examenvragen

Met deze uitleg voor geschiedenis leer je alles wat je moet weten over de kenmerken 4, 5 en 6: het wetenschappelijk denken en het Romeinse Rijk. Je krijgt ook informatie over de Griekse stadsstaat, het begrip ‘ekklesia’ en de verspreiding van de Grieks-Romeinse cultuur over Europa. Je hoeft dit niet te weten voor het examen, maar wel voor andere geschiedenis toetsen of SE’s.

Burgerschap

De manier waarop burgers deel hebben in en deelnemen aan de samenleving. Dit heeft een politieke, sociale, culturele en economische dimensie.

Democratie

Een staatsvorm waarbij het volk regeert. Het volk regeert door middel van een volksvertegenwoordiging/parlement.

Directe democratie

Een regeringsvorm waarbij burgers zelf direct wetsvoorstellen kunnen indienden en hierover kunnen stemmen.

Diplomatie

Het kunnen voeren van een overleg tussen twee groepen om daarmee een bepaald doel te kunnen bereiken.

Ketters

Mensen die het niet eens zijn met de algemene geloofsleer.

Batavia

De hoofdvestiging van de Verenigde Oost-Indische Compagnie in Azië, het huidige Jakarta.

Monotheïsme

Een religie waarbij men in één god gelooft. Dit is het tegenovergestelde van polytheïsme.

Polytheïstisme

Een religie waarbij men in meerdere goden gelooft. Dit is het tegenovergestelde van monotheïsme.

Cultuur

Het geheel van denken, handelen, gewoonten en gebruiken van een bepaalde maatschappij.

Ekklesia

Een volksvergadering in het oude Athene

Gebruik bron 2.

Stel: je doet onderzoek naar de uitbreiding van het Romeinse Rijk in Gallië en je hebt twee onderzoeksonderwerpen:

  1. de oorzaken voor uitbreiding van het Romeinse Rijk in Gallië
  2. de Romeinse legitimering van hun imperialisme

Je vindt de speech van Cerialis en besluit hem te gebruiken voor een van je onderzoeksonderwerpen.

Leg uit voor welk onderzoeksonderwerp de bron de meest bruikbare informatie bevat.


Bron 2:

De Romeinse schrijver Tacitus beschrijft in zijn boek Historiae hoe in het jaar 70 de Romeinse generaal Cerialis een vergadering van Galliërs toespreekt nadat hun opstand is neergeslagen:

Romeinse generaals zijn jullie land en dat van andere Galliërs niet vanwege hebzucht binnengetrokken, maar omdat ze uitgenodigd werden door jullie voorvaderen die genoeg hadden van alle interne conflicten (...). We hebben onze stellingen langs de Rijn niet ingenomen om Rome te beschermen maar om Germaanse vorsten als Ariovistus ervan te weerhouden de macht in Gallië te grijpen (...). Heel Gallië was ten prooi gevallen aan burgeroorlogen, uitgelokt door koningen, die duurden tot jullie onze wetten accepteerden. En hoewel we constant zijn uitgedaagd, hebben we als veroveraars alleen om zo veel belasting gevraagd als we nodig hebben om de vrede te bewaren. Harmonie tussen landen kan alleen worden veiliggesteld door legers, legers kunnen niet in stand worden gehouden zonder geld en geld kan alleen door belasting worden verkregen.

1. Jagers en verzamelaars

10. Tijd van televisie en computers

2. Grieken en Romeinen

3. Christendom en Islam

4. Steden en Staten

5. Ontdekkers en Hervormers

6. Regenten en Vorsten

7. Pruiken en Revoluties

8. Burgers en Stoommachines

9. Tijd van wereldoorlogen

Ontstaan van democratie

We gaan terug naar 500 v.C., toen Athene een stadsstaat of wel een polis was. Het bestond uit een stadskern en het platteland dat er omheen lag. Een andere benaming hiervoor is een landbouw-stedelijke samenleving of agrarisch-urbane samenleving.


Iedere polis had een eigen bestuur, munt en leger. In Athene hield dit in dat als je officieel een burger van de stadsstaat was, je zeggenschap had over het bestuur. Toch mocht lang niet iedereen mee beslissen: alleen als je man was, ouder dan 30 en je beide ouders uit Athene kwamen had je dit recht. Deze bestuursvorm was de eerste democratie, wat regering voor het volk betekent.


Ekklesia

In Athene was er een directe democratie, wat betekent dat je direct mocht zeggen of je het met het beleid eens was. Als gevolg daarvan kon niemand teveel macht krijgen. De belangrijkste besluiten werden genomen vanuit de Ekklesia: een volksvergadering. Als je mocht stemmen, kreeg je geld om bij deze Ekklesia te zijn. Daardoor konden ook de armere burgers bij de volksvergadering aanwezig zijn. Het gevolg was dat er grote controle was vanuit alle lagen van de samenleving.


Socrates en Plato

Twee grote filosofen uit die tijd – Socrates en Plato – waren geen fan van deze manier van regeren. Volgens hen was het ‘simpele volk’ niet in staat om goede beslissingen te nemen. Een andere stelling die zij innamen was dat een meerderheid van stemmen nog niet betekent dat iets goed of waar is. Zij zouden het liefst een bestuur hebben dat geleid werd door filosofen.


Het begin van de wetenschap

Rond 600 v.C. ontstond er twijfel over de mythologische en religieuze opvattingen waarmee natuurverschijnselen uitgelegd werden. Griekse onderzoekers probeerden daarom een andere theorie te ontwikkelen. Over de inzichten waar zij mee kwamen kon veel gespeculeerd worden. De Griekse oudheid zien we tegenwoordig als het begin van de wetenschap, al werkten zij eigenlijk al verder met kennis die opgedaan was in Mesopotamië en Egypte.


Alexander de Grote

Alexander de Grote is waarschijnlijk de bekendste heerser van het oude Griekenland. Hij verspreidde de kennis en cultuur vanuit Griekenland naar Europa, Azië en Egypte.


Het Romeinse rijk

In 754 voor Christus werd de stad Rome gesticht, en vanaf de 4e eeuw v.C. begonnen de inwoners van die stad het grondgebied steeds meer uit te breiden. Rond de tweede eeuw na Christus woonden er meer dan 50 miljoen mensen in het Romeinse rijk. Het zogenaamde Imperium Romanum was erg welvarend, doordat zij veel veroverden en inkomsten verkregen door tot slaaf gemaakte mensen. In deze tijd werden er belastingen ingevoerd en kwamen er ambtenaren.


Het Romeinse rijk wilde steeds meer uitbreiden. Hiervoor gebruikten ze diplomaten en zetten ze het leger in. De diplomaten sloten bondgenootschappen met lokale heersers, waardoor Rome zijn macht en zeggenschap kon uitbreiden. Het rijk beloofde bescherming en wilde daar gehoorzaamheid en soldaten voor terug. Als dat niet geaccepteerd werd, gebruikte het Romeinse rijk geweld. Hun leger was moeilijk te verslaan, omdat het in tegenstelling tot andere legers goed georganiseerd was.


Romeins burgerrecht

De inwoners van de gebieden die het Romeinse rijk innam werden goed behandeld, omdat het rijk daarmee hoopte dat ze niet in opstand zouden komen. Ook kreeg een aantal inwoners het Romeins burgerrecht, wat betekende dat zij bepaalde voorrechten en een betere bescherming kregen. Doordat het rijk op deze manier werkte, kon het enkele eeuwen lang de grootste macht blijven in Europa, Noord-Afrika en delen van West-Azië.


Republiek van Rome

In Rome gingen meerdere mensen over de besluitvorming, wat we magistraten noemen. De magistraten werden gekozen in de Ekklesia. Omdat burgers een belangrijke rol hadden binnen de wetgeving, noemen we Rome een republiek. De grootste macht lag echter bij de consuls. Dit waren magistraten die gekozen werden om een jaar lang controle te houden op de rest, en het was de hoogste positie van de Republiek van Rome.


Pompeï en Caesar

Er waren twee machtige mannen die door een conflict zorgden voor het einde van de Republiek van Rome: Pompeï en Caesar. Zij werkten ooit samen, maar dat kwam ten einde. Caesar won de burgeroorlog en maakte een eind aan de republiek. Hij werd een dictator en veroverde tussen 58 en 50 v.C. heel Noord-Gallië. Noord-Gallië kennen we nu als Frankrijk en België. Uiteindelijk werd hij in 44 v.C. vermoord door de verdedigers van de republiek.


Octavianus

De dood van Caesar veroorzaakte veel chaos en het duurde even voordat duidelijk werd dat Caesar Octavianus als opvolger had gekozen. Hier kwam verzet op, maar Octavianus versloeg zijn tegenstanders en kroonde zichzelf tot de eerste Romeinse keizer: keizer Augustus. Hij trok alle macht naar zich toe en werd alleenheerser.


Grieks-Romeinse cultuur

De Romeinen waren met alles ver hun tijd vooruit. Zo las je net al dat ze vooropliepen als het ging om de manier van oorlogvoeren en politiek, maar ook wat betreft cultuur waren ze koplopers. Ze bouwden door heel Europa wegen, bruggen, forten en aquaducten. Een deel daarvan bestaat nog steeds. Dit kwam niet alleen vanuit de Romeinen: de Grieken hadden namelijk veel invloed op hun manier van leven. Daarom noemen we het de Grieks-Romeinse cultuur.


De Romeinen waren erg ontwikkeld en spraken naast Latijn ook Grieks. Veel onderdelen van de Griekse cultuur konden daardoor makkelijk worden overgenomen door Romeinen. Als we spreken over de Grieks-Romeinse cultuur hebben we het over de klassieke oudheid. Dit komt doordat de cultuur lange tijd een voorbeeld is geweest voor grote delen van de wereld en nog steeds tot de verbeelding spreekt.


Romanisering

In het oosten van het Romeinse rijk was de Griekse cultuur meer aanwezig dan in het westen, waar de Romeinse cultuur dominanter was. Het overnemen van de taal en cultuur van de Romeinen wordt ook wel ‘romanisering’ genoemd. De romanisering creëerde eenheid binnen het grote Romeinse rijk.