Biologie

4. Bacteriën en virussen

Gegeven door:
Magali de Rooy
Beschrijving Begrippen

We begrijpen het als je nu wel een beetje klaar bent met alles wat met virussen te maken heeft, maar helaas zul je er toch nog even aandacht aan moeten besteden. Het onderwerp bacteriën en virussen maakt namelijk deel uit van de leerstof voor het biologie examen voor de havo. In deze samenvatting komen begrippen voor als RNA en prokaryoten. Het is belangrijk dat je begrijpt wat dit betekent. Om je kennis op te frissen kun je gebruik maken van de begrippenlijst die onder de video staat.

Antibiotica

Stoffen die bacteriegroei minderen

Stofwisseling

Het totaal van alle chemische processen in de cellen van een organisme.

RNA

Ribonucleïnezuur. Een bestanddeel van eiwitten die bestaat uit een streng van nucleotiden met één van de vier organische basen adenine (A), cytosine (C), guanine (G) en uridine (U), dus zoals DNA , maar dan met uracil in plaats van thymine (T).

Prokaryoten

Organismen die cellen zonder celkern hebben; dit houdt in dat het DNA zich niet in een celkern binnen de cel bevindt maar los door de cel zweeft (bacteriën)

Plasmide

Kleine ringvormige stukjes DNA die in veel bacteriën voorkomen en zich daarin zelfstandig kunnen vermenigvuldigen

Gastheercel

Een virus repliceert zich in de gastheercel

Flagellen

Zweepharen waarmee eencelligen (bacteriën) of voortplantingscellen zich voortbewegen in het water

DNA

Desoxyribo-Nucleic-Acid. Regelt via RNA de levensprocessen van de kern. Er zijn altijd 2 DNA strengen waarop erfelijke eigenschappen liggen, namelijk een streng van de vader en een streng van de moeder

Virus

Een ziekteverwekker die kleiner is dan een bacterie

Eukaryoten

Organismen waarvan de cel een celkern en intern membraan hebben (planten en dieren)

Erfelijk

Overdragen van genen die zowel zichtbaar als onzichtbaar zijn op bijvoorbeeld je kinderen

Eencellig

Uit één cel bestaan

Bacteriofagen

Virussen die bacteriën vernietigen

Bacterie

Een eencellig micro-organisme

Celmembraan

De wand van de cel

Celkern

Regelt alle levensprocessen in de cel

Cel

De kleinste bouwsteen waar alle levende organismen uit zijn opgebouwd

Erfelijk materiaal

De complete genetische samenstelling

Voortplanting

Voor een vermeerdering van het nageslacht zorgen

M1: Stofwisseling van de cel

M2: Zelforganisatie van cellen

M3: Erfelijke eigenschappen

M4: Selectie

In deze samenvatting gaat het niet over cellen van mensen, dieren of planten, maar over de twee andere koninkrijken binnen de levende wezens: bacteriën en virussen.


Wat is een bacterie?

Een bacterie is een eencellig micro-organisme. Omdat bacteriën geen celkern of andere organellen hebben, zijn het prokaryoten. Mensen hebben een celkern, en organellen zoals bijvoorbeeld mitochondriën, en zijn daarom eukaryoten. Bacteriën hebben wel ribosomen, die gebruikt worden om erfelijk materiaal te kopiëren, en eiwitten te vormen.


Dit erfelijk materiaal ligt los in de cel. Vaak is er één groot DNA molecuul midden in de cel, en meerdere kleine stukjes DNA in de vorm van ringetjes er omheen. Dit noemen we plasmiden. Plasmiden coderen voor “extra eigenschappen” zoals antibiotica-resistentie, die niet elke bacterie heeft. Ook hebben bacteriën een stofwisseling.


De meeste bacteriën hebben flagellen. Dit zijn een soort zweepstaartjes of propellers waarmee ze zich door de ruimte voortbewegen; bacteriën hebben immers geen armen of benen zoals wij. Ook de voortplanting gaat anders dan bij mensen, de eencellige bacterie deelt zichzelf namelijk simpelweg in tweeën.


Wat is een virus?

Als we kijken naar een virus, ziet dit er weer anders uit. Een virus bestaat uit een kern van erfelijk materiaal, DNA of RNA, en daar omheen zit een eiwitmembraan. Een virus is dus ook geen cel! Virussen hebben geen eigen stofwisseling, en zijn daarmee anders dan alle andere levensvormen. Het is dus ook twijfelachtig of je een virus wel ‘levend organisme’ kan noemen. 


Virussen zijn daarom altijd op zoek naar een gastheer: levende cellen van een ander organisme. Het virus kan zichzelf koppelen aan een ander organisme, en zijn eigen erfelijk materiaal dumpen in de cel van de gastheer. De gastheercel zal dan het erfelijk materiaal gaan reproduceren, waardoor het virus in feite bepaalt wat de cel gaat “doen” en hoe de stofwisseling zal gaan. Virussen kunnen zich ook alléén voortplanten in de gastheercel. Dit is in het voordeel van het virus en in het nadeel van de gastheer, want het kan de gastheer ziek maken.


Nuttige bacteriën en virussen

Er zijn zogenaamde ‘goede’ en ‘slechte’ bacteriën; hiermee wordt bedoeld dat sommige bacteriën een functie hebben die nuttig is, voor bijvoorbeeld mensen. In de darmen zitten veel bacteriën die helpen bij het verteren van voedsel. Infecties met bacteriën zijn te behandelen met antibiotica.


Antibiotica werken echter niet tegen virussen. Alle virussen zijn ‘slecht’, en de meeste virussen maken zoals gezegd andere organismen ziek. Mensen kunnen virussen onschadelijk maken met antistoffen. Kijk de video’s over afweer als je hier meer over wilt leren! De enige nuttige virussen zijn bacteriofagen, of virussen van bacteriën: deze worden soms gebruikt om infecties te behandelen wanneer men liever geen antibiotica wil gebruiken.