Biologie

11. Ademhalingsstelsel

Gegeven door:
Magali de Rooy
Beschrijving Begrippen

Op deze pagina bespreken we alles wat te maken heeft met de ademhaling. Zo bespreken we de longcapaciteit, kom je erachter welke spieren je gebruikt bij het in- en uitademen en leer je op welke manieren verschillende dieren ademhalen. Je kunt deze uitleg goed gebruiken om te leren voor het biologie examen, toetsen en/of SE’s!

Ademhalingsstelsel

Het orgaansysteem dat zorgt voor het uitwisselen van zuurstof en koolstofdioxide.

Bronchiën

Vertakkingen van de luchtpijp.

Longcapaciteit

De hoeveelheid lucht die zich in de longen kan bevinden.

Middenrif

Wordt ook diafragma genoemd. Het middenrif bestaat uit een grote, platte spier met een peesblad en bevindt zich tussen de borst- en buikholte.

Restvolume

De hoeveelheid lucht die je nooit kunt uitademen

Trachee

De ademhalingsbuis van insecten.

Ademhalen

Het ventileren van lucht in de longen

Vitale capaciteit

Hoeveel je kunt uitblazen na maximaal ingeademd te hebben

Inademspieren

Halsspieren, buitenste tussenribspieren en het middenrif

O1: Stofwisseling van het organisme

O2: Zelfregulatie van het organisme

O3: Afweer van het organisme

Ademhaling

Ademhalen is het ventileren van lucht in je longen. Bij de ademhaling wordt lucht via de neus of mond de longen ingezogen, en vervolgens weer uitgeblazen. Wat er precies in de longen gebeurt heet gaswisseling.


De lucht die ingeademd wordt, gaat via de neus of mond door de keel de luchtpijp in. De luchtpijp heeft een wand die bestaat uit hoefijzervormige kraakbeenringen. De luchtpijp splitst zich in twee bronchiën, welke ook een wand van kraakbeenringen hebben. In de luchtpijp en de eerste bronchiën, de stukken met kraakbeenringen, vindt nog geen gaswisseling plaats. Dit gedeelte wordt daarom dode ruimte genoemd.


Bronchiolen

Vervolgens splitsen de bronchiën zich in verschillende zijtakken die steeds kleiner worden. Deze takjes worden bronchiolen genoemd. Eigenlijk lijkt een bronchie, met al zijn zijtakken van bronchiolen, een beetje op een omgekeerde boom zonder bladeren. De wanden van de bronchiolen bevatten geen kraakbeenringen meer, maar wel spierweefsel. De wanden kunnen zich dus aanspannen en ontspannen, vernauwen of verwijden. Dit bepaalt de hoeveelheid lucht die kan worden in- en uitgeademd.


Longcapaciteit

De longcapaciteit is de totale hoeveelheid lucht die in de longen past. Dit is de vitale capaciteit (hoeveel je kunt uitblazen na maximaal te hebben ingeademd) en het restvolume, de hoeveelheid lucht die je nooit kunt uitademen.


Ademspieren

De belangrijkste inademspieren zijn het middenrif, de buitenste tussenribspieren en de halsspieren. De belangrijkste uitademspieren zijn de spieren van de buikwand en de binnenste tussenribspieren.

 

Door het samentrekken en ontspannen van de betrokken spiergroepen wordt het volume van de borstkas groter en kleiner bij het ademen; de longen rekken en krimpen dan mee. Bij borstademhaling bewegen de ribben en het borstbeen vooral. Bij buikademhaling beweegt ook het middenrif sterk mee.


Ademhaling van dieren

De manier waarop ademhaling en gaswisseling plaatsvindt verschilt per dier, en is aangepast aan de omstandigheden waarin dit dier zich meestal bevindt. Insecten hebben bijvoorbeeld een klein ademhalingsbuisje aan de zijkant van het lichaam: een trachee. Hiermee ademt het insect.


Vissen hebben kieuwen, waarmee vissen gaswisseling kunnen uitvoeren; niet zoals wij met lucht, maar met water. Sommige amfibieën hebben ook kieuwen; dit zijn vooral jonge dieren. De oudere amfibieën halen meestal adem met longen, of via hun huid. Reptielen, vogels en zoogdieren (waaronder mensen) halen zoals je weet adem met hun longen. Ook planten “halen adem”, of doen aan gaswisseling.