Biologie

2. Genotypen en fenotypen

Gegeven door:
Margot Morssinkhof
Beschrijving Begrippen

De erfelijke informatie zoals ze in de chromosomen te vinden is noemt men het genotype. Alle genen die iemand bezit vormen samen zijn genotype. De uiterlijk waarneembare kenmerken van iemand noemt men het fenotype. Het fenotype komt tot stand onder invloed van het genotype. Het verschil tussen beide typen wordt in deze online kennisclip voor biologie uitgelegd.

Cel

Kleinste levende delen waaruit lichaam is opgebouwd

Celkern

Regelt alles in de cel en bevat DNA

Chromatide

De twee delen van het chromosomen, de één bevat het originele DNA en de ander het kopie

Chromosomen

Draadvormige structuren in de celkern die de genetische informatie bevatten en bestaan uit DNA en eiwitten

Chromosomenparen

In een diploïde cel (2n) komen bij de mens de 46 chromosomen voor in 23 paar chromosomen. 23 chromosomen komen van je vader, 23 chromosomen komen van je moeder

Diploïde

Twee chromosomen sets per kern (cel). Elk stel chromosomen komt van één ouder

DNA

Bevat de erfelijke informatie van een organisme

Eicel

Vrouwelijke geslachtscel

Fenotype

De waarneembare eigenschappen van een individu

Genotype

De erfelijke informatie in het DNA

Haploïde

Met een enkel stel chromosomen per kern (bijvoorbeeld geslachtscellen)

Lichaamscellen

Gewone cellen met in de celkern een dubbele set van chromosomen

XX

Vrouwelijk geslachtschromosoom heeft twee x’en

XY

Mannelijk geslachtschromosoom heeft één x en één y

Zaadcel

Mannelijke geslachtscel

M1: Stofwisseling van de cel

M2: Zelforganisatie van cellen

M3: Erfelijke eigenschappen

M4: Selectie