Geschiedenis

6. Hofstelsel en horigheid (Kenmerk 11 & 12)

Gegeven door:
Rick Ouwehand
Beschrijving Begrippen Examenvragen

Welkom op deze pagina, waar je uitleg krijgt over het tweede onderwerp van tijdvak 3: hofstelsel en horigheid. Je hoeft dit niet te leren voor het examen geschiedenis, maar wel voor andere toetsen en/of SE’s. We bespreken onder andere de vervanging van de agrarische urbane cultuur in West-Europa door een zelfvoorzienende agrarische cultuur.

Monotheïsme

Een religie waarbij men in één god gelooft. Dit is het tegenovergestelde van polytheïsme.

Godsdienst

Het geloof in een god of meerdere goden. Wordt ook wel religie genoemd.

Kalifaat

Een staat die geregeerd wordt door een opvolger van de islamitische profeet Mohammed.

Bijbel

Het heilige boek van de christenen.

Soennieten

De grootste van twee hoofdstromingen binnen de Islam. Soennieten volgen naast de koran ook de soenna: de levenswijze van profeet Mohammed.

Sjiieten

De kleinste van twee hoofdstromingen binnen de Islam. Sjiieten zien Ali, de schoonzoon en neef van de profeet Mohammed, en zijn nakomelingen als de ware leiders van de islamitische wereld.

Missionarissen

Een persoon die door de katholieke kerk gezonden wordt om het geloof te verspreiden.

Kerstening

Het proces waarbij niet-christelijke volkeren zich, vaak massaal, tot het christendom bekeren.

Seculiere geestelijken

Priesters die gehoorzaamheid beloven aan de bisschop die hen wijdt.

Monnik

Iemand die vanuit religieuze overtuiging voor een speciale levensinvulling kiest. Een monnik leeft teruggetrokken en in een klooster.

Priester

Een persoon die religieuze handelingen verricht. Hij zorgt voor het contact tussen de mensen en (de) god(en).

Gebruik bron 3.
Uit deze bron kun je een verband afleiden tussen de opkomst van de steden en de achteruitgang van het hofstelsel.

Leg uit welk verband dat is.

 

Bron 3:
Uit het stadsrecht van Dordrecht, 1252:
Indien iemand, van welke juridische status dan ook, gedurende een jaar en een dag - zonder door zijn heer te zijn opgeëist - in rust verblijf heeft gehouden binnen deze vrijheid van Dordrecht, zal ik (graaf Willem ll van Holland) hem in het vervolg als vrij van zijn heer beschouwen.

A.1 Jagers en Verzamelaars

A.10 Tijd van televisie en computers

A.2 Grieken en Romeinen

A.3 Christendom en Islam

A.4 Steden en Staten

A.5 Ontdekkers en Hervormers

A.6 Regenten en Vorsten

A.7 Pruiken en Revoluties

A.8 Burgers en Stoommachines

A.9 Tijd van wereldoorlogen

Agrarisch-urbane cultuur

Toen het westen van het Romeinse rijk uit elkaar viel, werd de economie van dit gebied volledig agrarisch. Behalve de adel en geestelijkheid werkte iedereen in de landbouw. De mensen woonden in kleine, zelfvoorzienende landbouwgemeenschappen en de enige landbouw die nog gebeurde in deze periode was ruilhandel. Hoe kon het zover komen dat het ooit zo welvarende Romeinse rijk zo uit elkaar viel?


Doordat veel beroepen met aanzien verdwenen, werden de machtsverschillen nu ook steeds groter. Alleen mensen van adel en grootgrondbezitters maakten nog de dienst uit. Uit deze groep kwamen ook de bestuurders, krijgsheren en rechters, waardoor het machtsverschil in stand werd gehouden. Ook de geestelijken, de mensen die de relatie met God onderhielden, kwamen uit deze groep. De rest van de mensen was boer. We kunnen een onderscheid maken in deze groep tussen vrije boeren en onvrije boeren. De onvrije boeren noemen we ook wel horigen. Dit was de armste groep die, in ruil voor een deel van hun oogst ieder jaar, grond van hun landheer pachten. De vrije boeren hadden het ietsjes beter, ze hadden hun eigen grond en mochten de oogst houden. Wel moesten ze, in tegenstelling tot de horigen, meevechten in het leger.


Het hofstelsel

Beide soorten boeren leefden binnen het domein van een heer. Een domein is eigenlijk gewoon een mooi woord voor grondgebied. Het domein is de belangrijkste sociaaleconomische eenheid in de middeleeuwen. De inrichting van de economie noemen het hofstelsel. Dit is dus het uitlenen van land door de heer aan boeren in zijn gebied in ruil voor een deel van de oogst of dienstplicht. Het hofstelsel ontwikkelde zich vooral in het noordwesten van Europa.


Het hofstelsel ontstond dus, en veel van de oude Romeinse steden vielen weg. Het machtsvacuüm, dat ontstond door het wegvallen van het West-Romeinse rijk, zorgde ervoor dat meerdere edelen probeerden om hun gebied uit te breiden. Door de onrust in het gebied werd het vaak te gevaarlijk voor gewone burgers om te reizen. Hierdoor durfden ook de handelaren niet meer zomaar door Europa te reizen. Zo veranderde langzaam de ooit grote internationale handelscentra in kleine regionale marktplaatsen. Geld verdween hierdoor als ruilmiddel en ruilhandel nam deze plaats in.


Doordat handelaren niet meer durfden te reizen, werden veel belangrijke grondstoffen voor de nijverheid niet meer geleverd. De Romeinse elite met zijn kennis trok weg uit de steden en de productie van nijverheid nam af. Bescherming konden mensen alleen nog dicht bij huis vinden van de lokale edelen. Gemeenschappen konden niet anders dan zelfvoorzienend worden om te overleven.


Ook had de nieuw ontstane adel niet de beschikking over het Romeinse belasting systeem. Het was niet meer mogelijk om ambtenaren te bekostigen. Hierdoor werden belangrijke bestuurlijke functies alleen vervuld door vertrouwelingen van de machthebber. De koning moest zorgen voor gebiedsuitbreiding en de bescherming van het volk.


Het feodale stelsel

In het oude Romeinse rijk werd het grondgebied nog bestuurd vanuit een centraal punt. In de middeleeuwen kwam er een nieuwe manier van besturen, die we het feodale stelsel noemen. ‘Feodum’ betekent leen in het latijn, dus een feodaal stelsel is ook wel een leenstelsel. Bij deze manier van besturen worden stukken grond uitgeleend door leenheren aan leenmannen. Het gaat dan om een persoonlijk contract tussen deze twee personen. De leenman legt een eed af en belooft een aantal diensten te verrichten. De leenheer belooft als wederdienst bescherming en geeft een stuk grond in bruikleen. Het leenstelsel rond 700 n.C. in het Frankische rijk, onder leiding van Karel Martel en zijn kleinzoon Karel de Grote, en werd overgenomen door de rest van Europa.


Door de vele oorlogen die Karel Martel voerde had hij meer geld nodig. Hij liet zijn soldaten een eed afleggen, waardoor ze hem trouw zouden blijven. In ruil daarvoor kregen deze soldaten een stuk land in leen. Hierdoor konden ze voor zichzelf zorgen. Dit was de eerste stap naar het feodale stelsel. Zijn kleinzoon, Karel de Grote, breide dit systeem nog een beetje uit. Hij liet het leenstelsel koppelen aan het bestuur. Behalve soldaten werden ook hertogen en graven nu leenmannen. Het gebied, dat zij vaak al bestuurden, werd nu een leengoed.


Het leenstelsel is eigenlijk georganiseerd als een soort piramide. De hoogste leenheer is de koning; hij gebruikte de opbrengsten voor zichzelf en het bestuur binnen het Frankische rijk. In ruil daarvoor moest de graaf of hertog een eenmalige betaling doen en beloven dat hij zou helpen in tijd van oorlog. In zijn eentje kon de graaf of hertog dit vaak niet regelen. Daarom nam hij leenmannen in dienst, dit waren vaak zijn belangrijkste volgelingen.


Hoe werkte het leenstelsel?

Een graaf krijgt een gebied in leen van de koning. Deze graaf leent dit gebied weer uit aan een vertrouweling. Deze tweede leenman noemen we dan een achterleenman van de koning. De verhouding tussen hen en de graaf of hertog staat gelijk aan die van de graaf of hertog aan de koning. Zij konden hun leen dus ook weer doorgeven.


Leenmannen moesten allemaal een eed afleggen om er zo voor te zorgen dat ze trouw bleven aan hun leenheer. De relatie tussen de twee bestond uit een ruil: de leenman leeft van het land en in ruil daarvoor helpt hij de leenheer waar hij nodig is.


Het leenstelsel kende een aantal nadelen. Vaak beschouwden leenheren het gebied als hun eigendom. Als een leenman overleed, erfde de oudste zoon dit gebied. Deze had dan geen eed afgelegd, wat tot narigheid kon leiden. Het tweede probleem was dat sommige leenmannen meerdere leenheren hadden. Je zult begrijpen dat als deze twee leenheren in oorlog waren, het voor de leenman lastig was om te kiezen. De leenheren lieten daarom een steeds zwaardere eed afleggen. De leenmannen wilde dit wel doen, maar kozen dan voor de heer die het meeste bood. Dit resulteerde in steeds meer macht voor de leenman. Als een vorst zwak was, waren leenmannen dan ook niet altijd loyaal.