Maatschappijwetenschappen

12. Politieke instituties en organisaties als representatie

Gegeven door:
Rogier Proper
Beschrijving Begrippen Examenvragen

In deze samenvatting voor maatschappijwetenschappen gaan we onder andere kijken naar verschillende politieke instituties, politieke organisaties, representatie en representativiteit. Er zullen begrippen voorbij komen als machtsuitoefening, articulatiefunctie, zwevende kiezers en nog veel meer! Je kunt deze uitleg goed gebruiken om te leren voor het examen, toetsen en SE's.

Cognitief

Het vermogen om (nieuwe) kennis op te nemen, (bewust) te verwerken en toe te passen.

affectief

duidt op je gevoelsleven

groepsvorming

Het vormen van groepen met mensen die hetzelfde over iets denken als jij.

insluiting

Mensen die wel bij een groep behoren.

uitsluiting

Mensen die niet bij een groep behoren.

sociale controle

Manier waarop mensen andere ertoe brengen of dwingen zich aan de normen of regels te houden.

cultuur

Geheel aan gewoonten en regels dat bij een volk hoort.

sociale cohesie

De mate waarin mensen zich met elkaar verbonden voelen.

individualisering

Het proces waardoor mensen meer als individu in plaats van als groep in de groep in de samenleving komen te staan.

informalisering

Geeft aan dat de omgang tussen mensen informeler en minder hiërarchisch wordt.

microniveau

In dit geval gaat het om machtsverschil tussen mensen (interpersoonlijk)

macroniveau

In dit geval gaat het om machtsverschil tussen internationale organisaties of landen

formele sociale controle

Doormiddel van wetten of statuten ervoor zorgen dat mensen zich aan de regels houden.

informele sociale controle

spontane activiteiten van mensen in het dagelijksleven, die andere ertoe brengen of dwingen om zich aan normen en regels te houden.

Volgens sociaalpsychologische theorieën kan groepsvorming leiden tot bindingen die crimineel gedrag bevorderen.


Leg uit hoe groepsvorming onder jongeren volgens sociaalpsychologische theorieën crimineel gedrag kan bevorderen. Gebruik in je uitleg:

- sociaalpsychologische theorieën over het plegen van criminaliteit binnen een groep gelijkgestemden;

- de omschrijving van het kernconcept groepsvorming.

D1. Sociale cohesie, Instituties en rol partijen

D2. Bedreigingen, Criminaliteit, Overheid en Politiek

Sociale instituties

Een institutie omvat een aantal regels rond een specifiek maatschappelijk verschijnsel, regels die het gedrag van leden van een groep en de omgang met elkaar - ofwel hun interactie - regelen, ten aanzien van dat verschijnsel. Dat klinkt behoorlijk abstract, maar als we een paar voorbeelden noemen van zo'n sociaal verschijnsel, wordt het al duidelijker. Neem als voorbeeld het huwelijk. Dat is in elke cultuur weer anders, maar overal vind je bepaalde regels voor hoe men zich dient te gedragen t.a.v. het huwelijk. Regels voor wat de huwelijkspartners van elkaar verwachten, hoe de familie eromheen zich behoort te gedragen, of vrienden, en wat die weer verwachten van de anderen. Tot en met de huwelijksvoltrekking zelf, waarbij in wetten gegoten regels een rol spelen.


Of neem de voetbalsport, ook een institutie. Die bestaat niet alleen uit spelregels, maar ook uit allerlei niet vastgelegde regels voor het publiek of bestuursleden: verwacht gedrag heet dat. Of denk aan het rechtssysteem met z'n wetten ofwel geformaliseerde rechtsregels, die met behulp van justitie en politie afgedwongen worden. Zo is dat afgesproken immers, om de maatschappij of staat in stand te houden.


Zo zijn er zijn er vele verschillende instituties met eigen regels. Het gezin, het onderwijs, de wetenschap, rituelen rondom rouw of begrafenissen, het geloof, de kerk, de moskee, synagoge, Koningsdag, de taal. Het zijn allemaal instituties die hun eigen regels hebben voor hoe je je daarbij moet gedragen. De zonet genoemde instituties zijn sociale instituties. Ze regelen maatschappelijk gedrag van groepen. Ze bestaan vaak al lang en berusten op traditie en gezag.


Politieke instituties

Een politieke institutie omvat een stelsel van regels voor het gedrag van mensen in verband met politieke besluitvorming en machtsuitoefening. Kenmerken:

1. Ze zijn er om het bestuur van een maatschappij, land of staat op een ordelijke manier in banen te leiden. Ze verschaffen stabiliteit. Voorbeelden zijn: de rechtsstaat, de grondwet, het kiesstelsel.

2. Een ander kenmerk is dat ze, net als sociale instituties tijdgebonden zijn, niet onveranderlijk zijn.

3. Daarnaast leiden politieke instituties vaak tot organisaties om die regels uit te voeren, en dat noemen we instellingen. Het verschil tussen een institutie en een instelling, is dat een instelling een plek heeft, een adres, waar het zijn functie kan uitoefenen. Denk aan het bewaken van de set regels. Een institutie is hooguit opgeschreven, schriftelijk vastgelegd, en zelfs dat soms niet eens; het zijn dan niet meer dan opvattingen over gedrag.


Politieke organisaties

Een politieke organisatie is noch een politieke instelling, noch een politieke institutie. Zo'n organisatie is opgericht om politiek te bedrijven binnen een samenleving. Dat is iets anders dan een stelsel van regels zelf of een organisatie om regels uit te voeren. Een politieke partij is een voorbeeld van een politieke organisatie in een staat. Zo'n partij speelt een belangrijke rol bij de politieke besluitvorming, waarover we het in een eerdere video hadden. Vooral in een democratie. We zien een vijftal functies van een politieke partij in het politieke proces:


1. Rekrutering- en selectiefunctie: Binnen een politieke partij worden mogelijke kandidaten voor politieke functies, baantjes, gerekruteerd en voorgedragen.

2. Articulatiefunctie: Door de partij worden maatschappelijke wensen naar voren gebracht, op de politieke agenda geplaatst.

3. Participatiefunctie: het stimuleren van burgers, leden van de maatschappij dus, aan de politiek deel te nemen, bij door lid te worden van een partij.

4. Aggregatiefunctie: Die ook wel integratiefunctie wordt genoemd. Zo'n partij probeert de belangen van verschillende groepen in maatschappij tegen elkaar af te wegen en daarmee politiek beleid te formuleren.

5. Communicatiefunctie: De politieke partij kan de schakel vormen tussen burger en overheid, of tussen kiezers en gekozenen.


Representatie en representativiteit

Tot slot gaan we het hebben over representatie en representativiteit. Hoe werkt ons politieke systeem? De volwassen burgers kiezen hun vertegenwoordigers: representatie. Deze representeren hen bij het ontwikkelen van een beleid voor het bestuur van het land. Dat doen ze - als het goed is - naar de wensen en ideeën en standpunten van die kiezers. Een groep burgers wordt daarbij dan door een of meer personen vertegenwoordigd. Door politicologen wordt gekeken naar de mate van representativiteit van die vertegenwoordiging, - dus in hoeverre de standpunten en het beleid van de gekozen vertegenwoordigers overeenkomt met die van hun kiezers. Ideaal is natuurlijk dat er een hoge mate van representativiteit is.


De praktijk is vaak anders. Soms worden er beslissingen genomen die anders uitpakken dan wat de meerderheid van de kiezers wil. De beslissingen zijn dan niet representatief. Partijen doen dan niet precies wat hun kiezers eigenlijk willen. Hoe kan dat? Vaak komt dat doordat er voor een beslissing een meerderheid nodig is. De partijen moeten dan compromissen sluiten om die meerderheid te krijgen. De vertegenwoordigers van de partijen raadplegen hun kiezers niet. Dat hoeft ook niet, want ze hebben nu eenmaal een mandaat gekregen voor hun vertegenwoordiging. De kiezers kozen hen op basis van een beperkt aantal programmapunten, en soms zelfs op basis van hun aardige gezicht en praatjes. Burgers voelen zich dan dus niet goed vertegenwoordigd. Het creëert onvrede. Soms kunnen nieuwe al of niet demagogische partijen hierdoor opkomen.


Leren met Digistudies

Wil jij nog meer details hebben van deze leerstof? Kijk dan de video! In de uitlegvideo zullen wij dieper in gaan op de begrippen en zullen de begrippen ook toegepast worden. Wil jij na het kijken van de samenvatting ook nog oefenen met de informatie? Maak dan gebruik van de quizvragen, begrippenlijsten en examenvragen.