Nederlands

6. Argumentatieschema's en functiewoorden

Gegeven door:
Laura den Boer
Beschrijving Begrippen Examenvragen
Waarom gebruik je een argumentatieschema? In deze video leer je alles over argumentatieschema’s en functiewoorden en hoe je daar het beste mee kunt werken!
Er zijn nog geen begrippen voor deze video.
Momenteel zijn er nog geen examenvragen voor deze video.
A1. Tekstverklaren

Nederlands: Argumentatieschema’s en functiewoorden


Werken met argumentatieschema’s en functiewoorden: soms moet je redeneringen in een schema plaatsen of de functie van verschillende zinnen van een redenering benoemen…


Waarom een argumentatieschema? 

-        Informatie op volgorde zetten

-        De functie van de verschillende zinnen in het geheel benoemen


Een argumentatieschema bevat…

·       Standpunt of stelling (mening)

·       Argumenten (uitspraken waarmee iemand standpunt verdedigt) 

·        Tegenargumenten of tegenwerpingen (uitspraken waarmee tegenstanders argumenten proberen te ontkrachten) 

·       Weerleggingen (uitspraken van de schrijver om te laten zien dat een tegenargument onjuist is)

·       Onderbouwingen (onder of sub argumenten, om de hoofdargumenten te ondersteunen) 


1.     Standpunt 

2.     Argument(en) 

3.     Onderbouwing (per argument) 

4.     Tegenargument

5.     Weerlegging


Voorbeeld: 

1.     Standpunt: Petra is zeker geschikt voor die functie van hoofdonderwijzer 

2.     Argument(en) 

a)     Ze heeft voldoende ervaring in het basisonderwijs

b)     Ze past goed in de samenstelling van het team wat betreft leeftijd

c)     Ze is een vrouw 

3.     Onderbouwing (per argument) 

a)     Ruime ervaring is nodig voor deze functie 

b)     De school wilde het aantal vrouwelijke collega’s verhogen

4.     Tegenargument: Ze heeft alleen ervaring met hoge klassen 

5.     Weerlegging: De lage klassen zijn al voorzien van een docent