Nederlands

9. Tips voor het Nederlands examen

Gegeven door:
Renske Feenstra
Beschrijving Begrippen

Hallo! In deze video geven we je nog wat algemene tips om je examen zo goed en vlot mogelijk te laten verlopen. Veel succes met leren!

Er zijn nog geen begrippen voor deze video.
D1. Schrijfvaardigheid

Samenvatting voor Nederlands - Tips voor het examen

In deze samenvatting vind je nog wat algemene tips om je examen zo goed en vlot mogelijk te laten verlopen.



Meerkeuzevragen maken

De meeste examenopgaven zijn meerkeuzevragen. Bij zo’n vraag krijg je de keuze uit een aantal antwoorden. Het is de bedoeling dat je de letter van het beste antwoord kiest. 



Hoe pak je meerkeuzevragen aan?

- Lees de vraag en probeer hem voor jezelf te beantwoorden (kijk dus nog niet naar de antwoorden!).

- Lees dan pas de antwoordmogelijkheden. Lees ze allemaal.

- Kies het antwoord dat jij het best vindt. 

- Weet je het niet zeker? Streep dan de antwoorden weg die zeker fout zijn. Kies uit de antwoorden die overblijven. 

Soms zijn er twee antwoorden die goed kunnen zijn. Lees in dat geval de vraag en de antwoorden nog eens extra goed. Soms is er één woordje dat verschil maakt tussen een goed antwoord en het beste antwoord.

Markeer de vragen, waarbij je twijfelt en lees ze nog eens goed als je je werk controleert. Zet er een kruisje voor, bijvoorbeeld. Zo vind je bij het controleren deze vragen makkelijk terug.



Het maken van meerkeuzevragen

Over elke tekst worden meerkeuzevragen gesteld en open vragen (vragen die je zelf moet 

beantwoorden). In die vragen kom je woorden tegen zoals: amuseren, conclusie, doel van een tekst, functie van een alinea, hoofdgedachte enzovoort. Dit zijn vaktermen van het vak 

Nederlands. Zorg er dus voor dat je deze woorden begrijpt, je vindt de informatie ook in de filmpjes.



Open vragen

Lees de vraag goed en kijk wat je moet doen. Kijk niet alleen naar wàt je moet schrijven maar ook hoe je je antwoord moet opschrijven. Bijvoorbeeld: 


- Citeer een zin... : Neem één zin uit de tekst over: niet meer, niet minder. 


- Citeer een zinsgedeelte...: Neem een stukje van een zin over (dus niet de hele zin).


- Leg uit / verklaar...: Geef een uitleg in je eigen woorden (dus niet citeren).


- Noem twee... / welke twee...: Schrijf twee dingen op (zelfs al moet je ervoor gokken).


- Gebruik maximaal 10 woorden…: Gebruik in je antwoord niet meer dan tien woorden. 


- Lees het tekstgedeelte waarover de vraag gaat, nog eens precies. 


- Schrijf het antwoord op en controleer: past het antwoord bij de vraag?


Verder krijg je op het eindexamen altijd vragen over het onderwerp en de hoofdgedachte van een tekst en moet je de betekenis van moeilijke woorden kunnen achterhalen. Je mag altijd een woordenboek gebruiken, maar soms kost het erg veel tijd om een woord op te zoeken. Vaak kun je ook uit de context (de tekst rondom het woord) de betekenis van een woord afleiden. Je leest de zin voor het woord, de zin waar het woord in staat en de zin na het woord. Ook kun je soms delen van het woord, waardoor de hele betekenis van het woord makkelijker te raden is.



Controleren

Je bent vast heel blij als straks de laatste examenopgave op papier staat. Yes, het examen is klaar! Nu nog je werk inleveren en gaan. Maar beter blijf je nog even zitten. Elke fout die je nog verbetert, levert punten op. 

Zo kun je je examenwerk controleren:

- Heb je bij leesvaardigheid echt elke vraag beantwoord?

Kijk of je bij elk vraagnummer iets hebt opgeschreven. Elk jaar zijn er leerlingen die vergeten vragen te beantwoorden. Zorg dat dat jou niet overkomt.

- Staat bij elke meerkeuzevraag één hoofdletter?


Kijk naar de vragen waar je een markering voor hebt gezet. Misschien twijfelde je nog. Maak dan nu een keuze. Vul altijd wat in, want geen antwoord is altijd fout. Maar twee antwoorden is ook fout, als je er één moet invullen. Let er dus goed op: 1 letter invullen als er maar 1 gevraagd wordt!


- Heb je je precies aan de opdrachten gehouden?

Heb je niet meer dan tien woorden gebruikt, als er ‘maximaal tien woorden’ stond? Heb je precies één zin geciteerd, als je een zin moest citeren?

- Is je handschrift overal goed te lezen?

Zorg ervoor dat elk antwoord goed te lezen is. Als je iets verbetert, doe dat dan netjes. Een onleesbaar antwoord wordt fout gerekend.

- Heb je in de schrijfopdrachten nog taal- en spelfouten laten zitten?

Elke slordigheid die je nu nog verbetert, kan je punten opleveren. 



Woordenboek

Tijdens het examen mag je een woordenboek gebruiken. In het woordenboek vind je de betekenis van moeilijke woorden, spreekwoorden en uitdrukkingen. Ook kun je erin opzoeken hoe je woorden schrijft. Je moet dan wel bij het juiste trefwoord kijken.



Het juiste trefwoord 

- Zelfstandige naamwoorden is het enkelvoud: snaren vind je dus bij snaar;

- Bijvoeglijk naamwoorden is de vorm zonder -e: gele vind je bij geel;

- Werkwoorden is het hele werkwoord: geprofiteerd vind je bij profiteren;

- Uitdrukkingen is het eerste belangrijke woord: als een vis in het water vind je bij vis. 



Meer in het woordenboek

In een woordenboek staat meer dan alleen de betekenis van woorden en uitdrukkingen.

- Achter een zelfstandig naamwoord staat of het woord mannelijk (m), vrouwelijk (v) of onzijdig (o) is. Daaraan zie je wat voor lidwoord (de bij m of v en het bij o) of verwijswoord je moet gebruiken (de man die…, het meisje dat..., )

- Achter een zelfstandig naamwoord staat welke letters erbij komen voor het meervoud. Bijvoorbeeld: proces (o) –sen.

- De lettergreep die de klemtoon krijgt, is onderstreept of er staat een accentteken ‘ voor. Bijvoorbeeld proces of pro’ces.

- Achter woorden uit een vreemde taal staat, hoe je ze moet uitspreken. Bijvoorbeeld: cappuccino [kaputsjienoo]

- Achter een werkwoord staat de verleden tijd en het voltooid deelwoord

Bijvoorbeeld: afwegen –woog afgewogen 


Je hebt nu gezien welke tips je kunt gebruiken om je resultaten zo goed mogelijk te laten worden bij je examen. Heel veel succes met je examen, en vergeet niet je werk goed te controleren als je klaar bent ☺.