Biologie

16. Gedrag bij mens en dier

Gegeven door:
Quirine Hakkaart
Beschrijving Begrippen

We bespreken in deze biologie video alles wat je moet weten over het gedrag dat bij mensen en dieren voorkomt. We leggen je uit hoe het werken met ethogrammen en protocollen gaat en we bespreken welke vergelijkingen er tussen mensen en dieren zijn. Ook bij dit onderwerp zijn er veel begrippen die belangrijk zijn om te onthouden en te begrijpen voor het biologie examen. Om dit iets gemakkelijker te maken hebben we een begrippenlijst onder de video geplaatst.

Balts

Gedrag bij dieren dat bedoeld is om partners aan te trekken en over te halen tot de paring

Broedzorg

Een verschijnsel uit het dierenrijk waarbij één of beide ouders voor hun nageslacht zorgt

Pikorde

Een hiërarchisch systeem waarbij dieren in verschillende rangen staan. De hoogste in rang is dominant

Prikkel

Invloed uit het milieu op een organisme

Respons

De reactie van een organisme op een prikkel, dus een verandering in de uitwendige of inwendige omgeving

Gedrag

Is een reactie op een prikkel

Inwendige prikkels

Voorbeelden zijn honger, dorst en hormonen

Uitwendige prikkels

Voorbeelden zijn temperatuur buiten en hoe licht het buiten is

Sleutelprikkel

Standaard reacties op standaard prikkels

Supranormale prikkel

De extreme reactie op een overdreven prikkel

B1. Het lichaam in stand houden

B2. Reageren op prikkels

B3. Bescherming en antistoffen

B4. Gedrag bij mens en dier

Gedrag bij mens en dier

Gedrag is een reactie op een prikkel die een mens of dier ervaart. Een ander woord voor het gedrag is ook wel de respons op een prikkel. We maken onderscheid tussen inwendige prikkels, zoals honger, dorst en bepaalde hormoonconcentraties, en uitwendige prikkels, zoals de temperatuur buiten het lichaam en hoe licht het buiten het lichaam is. Hierbij zijn er op bepaalde prikkels standaard gedragingen. Dit noem je een sleutelprikkel.


Supranormale prikkels

Een voorbeeld hiervan is de rode vlek op de snavel van een volwassen meeuw. Jonge meeuwtjes pikken hiernaar om eten te krijgen van hun ouders. Een hele sterke of uitvergrote sleutelprikkel die altijd dezelfde reactie geeft, noem je een supranormale prikkel. Een voorbeeld bij meeuwen is het extreme pikgedrag van jongen naar oudervogels met een compleet rode snavel, en bij de mens is lippenstift bij vrouwen hiervan een extreem voorbeeld. Mannen worden vaak aangetrokken door het rood in de lippen van vrouwen. Het rood uit de lippen is dan een sleutelprikkel. Als vrouwen dan rode lippenstift opdoen, reageren mannen daar vaak extra op. Deze rode lippenstift is dan een supranormale pikkel. 


In reclames op de televisie wordt hier vaak handig op ingespeeld: vrouwen hebben rood gestifte lippen in een reclame voor mannen, en in reclames voor vrouwen zijn sterke mannen met ontbloot bovenlijf te zien. Hiermee wordt ingespeeld op de supranormale prikkels voor mannen en vrouwen.


Ethogrammen

Een ethogram is een lijst met alle gedragingen die een dier kan vertonen, met een objectieve omschrijving van het gedrag en een afkorting, zodat je deze snel kunt noteren als je gedragsonderzoek doet. Denk bijvoorbeeld aan het blaffen van een hond. Een handige afkorting zou zijn BL of blaf, en de beschrijving van het daadwerkelijke gedrag is dan luide, korte geluiden met de bek maken. Zo kun je dus alle mogelijke gedragingen van een hond, zoals eten, drinken, graven, liggen etc. beschrijven, zodat je een complete lijst hebt van wat een hond op een dag allemaal kan doen. 


Protocollen

De volgende stap is het protocol. Een protocol is een tabel met een hoop verschillende kolommen en rijen, waarin je de gedragingen van het dier dat je observeert opschrijft per tijdseenheid. Hierbij kun je bijvoorbeeld denken aan iedere tien seconden, iedere halve minuut of iedere hele minuut, afhankelijk van de diersoort die je bekijkt en hoe actief deze is. Als je alle gegevens dan verzameld hebt, bijvoorbeeld door tien of twintig minuten te observeren en de gedragingen in je protocol te noteren, dan kun je op zoek gaan naar patronen.


Betekenissen van gedrag

Als je nu je hond geobserveerd hebt en je ziet bepaalde gedragingen, dan is het interessant om te weten wat dat gedrag voor doel heeft. Je kunt dan namelijk verklaren waarom je hond bepaalde dingen doet. Een deel van de gedragingen van dieren en mensen, zijn erfelijk. Dat betekent dat ze opgeslagen liggen in je genen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het huilen van een baby als hij of zij honger heeft. Een ander deel van het gedrag is aangeleerd. Dat betekent dat je het in de loop van je leven geleerd hebt. Denk bijvoorbeeld aan gitaar spelen of danspasjes die je uitvoert.


Inprenten

Vanaf de geboorte begint het proces van het leren van gedragingen al. Hierbij zijn drie verschillende manieren van iets leren belangrijk. De eerste manier is inprenten. Bij inprenten komt iets vast te liggen in het geheugen van bijvoorbeeld hele jonge dieren. Dit kan alleen in een hele korte periode van het leven. Een voorbeeld hiervan is dat als jonge gansjes of ganzen uit het ei komen, ze zich hechten aan het eerste wat ze zien. Dat is meestal hun moeder, maar kan natuurlijk ook een mens, of een hond zijn.


Trial and error

De tweede manier is trial and error. Dit is iets wat wij in ons dagelijks leven heel veel doen. Letterlijk vertaald betekent het ‘proberen en falen’. Wat daarmee bedoeld wordt, is dat we heel veel leren door iets te proberen en dan te kijken hoe dat gaat. Gaat het goed, dan kun je dat gedrag blijven doen. Gaat het niet goed, dan moet je je gedrag aanpassen. Hierbij kun je denken aan het leren voor een toets of examen: je probeert zo goed mogelijk te leren. Haal je een voldoende, dan zul je het leren de volgende keer waarschijnlijk net zo aanpakken. Als je echter een onvoldoende haalt, zul je de volgende keer anders gaan leren en beter je best doen.


Conditionering

De laatste manier van leren is conditionering. Hierbij volgt op een bepaalde actie altijd dezelfde reactie. Dit zie je veel bij het trainen van honden. Een baas zegt ‘zit’, en de hond gaat zitten, of een hond gaat kwijlen als hij een belletje hoort. Dit is geconditioneerd gedrag en is aangeleerd door het goede gedrag te belonen.


Verschillende typen gedrag

Er zijn 8 verschillende typen gedrag die je moet kennen:


Allereerst spreken we over dreiggedrag en imponeergedrag. Dit gedrag is bedoeld om te dreigen naar een vijand, of een vijand te imponeren zodat er niet gevochten hoeft te worden. Een kat blaast bijvoorbeeld, een hond gromt.

 

Het derde type gedrag is de balts. Balts is gedrag om een partner aan te trekken en over te halen tot paring. Vaak zijn het vaste gedragingen, zoals het pronken met veren van een pauw, het aanbieden van cadeautjes zoals vis of takjes van bijvoorbeeld een ijsvogel, en samen een paringsdans uitvoeren van futen.

 

De daadwerkelijke paring valt onder het vierde type gedrag, het paringsgedrag. Dit is het gedrag wat er daadwerkelijk voor zorgt dat de paring plaatsvindt.

 

Als er dan bevruchting heeft plaatsgevonden en er komen jonkies of baby’s, dan ontstaat er het vijfde soort gedrag, namelijk broedzorg. Broedzorg is de zorg voor het broed. En broed is een moeilijk woord voor nakomelingen, dus de jonkies of de baby’s. Bij mensen is het drinken geven en het verschonen van de luiers van een baby een vorm van broedzorg, maar vooral het drinken geven zie je bij veel meer zoogdieren terug.

 

Als een dier een territorium heeft, dus een afgebakend gebied wat hij of zij verdedigt, dan kan zo’n dier territoriumgedrag vertonen. Denk maar eens aan die honden die altijd over hetzelfde paaltje of boompje plassen. Dit is een vorm van het afbakenen van het territorium.

 

Het zevende gedrag is een gedrag dat eigenlijk iedere diersoort wel vertoont, en dat is voedingsgedrag. Dit zijn de gedragingen die nodig te zijn om voedsel te vinden, en het op te kunnen eten.


Het achtste en laatste soort gedrag is verzorgingsgedrag. Dit is al het gedrag waarbij het lichaam van het dier verzorgd wordt. Denk bijvoorbeeld aan het zichzelf wassen van een konijn of het haren borstelen of kammen van mensen.


Rangorde en taakverdeling

In groepen wordt gedrag op elkaar afgestemd. Wie welk type gedrag vertoont, hangt af van de rangorde die in zo’n groep heerst. De rangorde in de groep zijn de onuitgesproken afspraken van welk dier de baas is, en wie daarna, en wie daarna. Denk bijvoorbeeld aan de pikorde bij kippen, waarbij de haan eerst de hoogst in de pikorde staande kip laat eten, en er dan steeds een kip lager in de pikorde aan de beurt is. 


Bij stokstaartjes zie je dat er een taakverdeling binnen een groep is. Een paar stokstaartjes staan op wacht, terwijl anderen kunnen eten. Door in een groep te leven en de taken te verdelen, lopen ze minder risico om opgegeten te worden. In groepen worden dus taken verdeeld. Het kan ook zijn dat mannetjes altijd een bepaalde taak doen, en vrouwtjes weer andere taken. Zeker bij mensen is dit lang aan de orde geweest. Dit heeft ook te maken met de normen en waarden van mensen.


Antropomorfisme

Het toedichten van menselijke eigenschappen aan dieren noem je antropomorfisme. Het lijkt dan soms alsof je hond of kat schuldig kijken als ze iets kapot hebben gemaakt, maar niemand weet of ze dat ook daadwerkelijk zo ervaren. Sommige mensen vinden niet dat je menselijke eigenschappen mag toedichten aan het gedrag van dieren, terwijl anderen dit heel normaal vinden. Sommigen mensen maken ook de vergelijking tussen dieren die meer op de mens lijken en die minder op de mens lijken.