Economie

4. Marktvormen

Gegeven door:
Henk de Beuker
Beschrijving Begrippen

In deze samenvatting voor economie op vmbo-tl niveau wordt uitgelegd wat we bedoelen met de markt, wat marktevenwicht is, de belangrijkste marktkenmerken en de verschillende marktvormen. Voorbeelden van begrippen die behandeld worden zijn concrete & abstracte markten, evenwichtsprijs, oligopolie en monopolie. Bekijk ook onze video waar wij het hebben over de arbeidsmarkt.

A1: Markt en Consumptie

ThumbnailPlay
ThumbnailPlay
ThumbnailPlay
ThumbnailPlay
A2: Consumenten en producenten

A3: Geld

Markt

Wat is een markt precies? We spreken in brede zin van een markt als we het hebben over “het geheel van aanbieders en vragers die bijeen komen om producten te verhandelen”. We kunnen hierbij weer onderscheid maken tussen twee soorten markten. We kennen natuurlijk allemaal de markt waar marktkoopmannen achter hun kraampjes staan om groente en fruit te verkopen. Dit noemen we ook wel een concrete markt. Hier kan je namelijk fysiek naar toe gaan om iets te kopen.


Abstracte markt

Als we het in de economie over een markt hebben, dan bedoelen we toch net weer wat anders. De markt waar we het dan vaak over hebben heeft niet een daadwerkelijke plek waar vragers en aanbieders bijeen kunnen komen. Er is vaak geen fysieke of concrete plek aan verbonden. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de aandelenmarkt of de arbeidsmarkt. Als we aandelen willen verhandelen, dan gaan we niet naar een plein toe waar de “aandelenmarkt” staat, zoals we dat wel kunnen doen met de groente- of fruitmarkt. We spreken dan ook van een abstracte markt.


We spreken ook van een abstracte markt als we het bijvoorbeeld over de automarkt in Nederland hebben. We hebben het dan namelijk over de wisselwerking tussen alle vragers en aanbieders van auto’s in Nederland. Dat is dus niet een plek waar je even heen kan gaan. In zo’n markt van bijvoorbeeld auto’s, is er dus vraag en aanbod. De hoeveelheid vraag en de hoeveelheid aanbod hebben weer effect op de prijs. Als er bijvoorbeeld héél veel aanbieders zijn en niet heel veel vragers, dan zal de prijs naar beneden gaan. De vele aanbieders willen namelijk tóch hun auto’s verkopen, en door de prijs te verlagen zal de vraag stijgen. Ik kan me voorstellen dat jij op dit moment geen vraag hebt naar het kopen van een auto, omdat het zo duur is. Maar als iemand jou een auto aanbiedt voor €20, zal je misschien wel ineens vraag hebben.


Marktevenwicht

De prijs kan dus omhoog en naar beneden gaan door veranderingen in hoeveelheid vraag en hoeveelheid aanbod. Dit noemen we het marktmechanisme. Uiteindelijk komt hier een prijs uit voort waarbij de vraag en het aanbod gelijk aan elkaar zijn. Dit noemen we het marktevenwicht. Bij dit marktevenwicht, waar de vraag en het aanbod dus gelijk aan elkaar zijn, hoort een evenwichtsprijs en een evenwichtshoeveelheid. In het marktevenwicht wordt er voor een bepaalde prijs dus een bepaalde hoeveelheid producten verkocht.


Marktkenmerken

Nu we hebben besproken wat we precies bedoelen met een markt, is de volgende stap om te gaan kijken naar de marktkenmerken. Hiermee kunnen we zo meteen namelijk bepaalde soorten markten herkennen. De vier marktkenmerken die we moeten kennen zijn:


Aanbieders

Ten eerste hebben we het aantal aanbieders. Je kunt je voorstellen dat het van belang is hoeveel aanbieders er zijn in een markt. Als jij de enige persoon bent die onderbroeken verkoopt, dan zal je heel anders omgaan met je prijzen en misschien ook wel met hoe je product eruit ziet, dan als er duizenden aanbieders van onderbroeken zijn.


Aard van het goed

Daarnaast is het soort goed dat je verkoopt ook van belang. We noemen dit ook wel de aard van het goed. Hiermee bedoelen we de mate waarin een consument het verschil ziet tussen de producten van verschillende aanbieders. Een auto van Fiat is natuurlijk overduidelijk anders dan een auto van Lamborghini, dat ziet elke consument. We noemen dit dan ook heterogene producten. Producten waarvan we het verschil tussen aanbieders niet of nauwelijks merken noemen we dan weer homogeen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan suiker. Als je suiker op je pannenkoek doet, vraag je je waarschijnlijk nooit af van welk merk het eigenlijk is.


Toetredingsbarrières

Ook is het belangrijk hoe groot de toetredingsbarrières tot de markt zijn. In bepaalde markten moet je een enorme investering doen om toe te treden met jouw bedrijf, en in andere markten juist weer helemaal niet. Wil je bijvoorbeeld een bedrijf beginnen in online marketing, dan hoef je nauwelijks wat te investeren om van start te gaan. Je koopt een goede laptop, en hoppa, je kan in theorie thuis vanaf de bank aan de slag! Maar, wil jij een bedrijf beginnen dat auto’s maakt, dan moet je eerst een hele fabriek bouwen. Er zullen dus ook logischerwijs véél meer online marketing bureaus zijn dan autofabrikanten.


Invloed op de prijs

Als laatste is een belangrijk marktkenmerk hoeveel invloed de aanbieder heeft op de prijs die er wordt betaald voor een bepaald product in de markt. Dit hangt sterk samen met hoeveel aanbieders er zijn. Dit is natuurlijk logisch, want als er super veel aanbieders zijn, dan zal het minder uitmaken wat jij met je prijs doet, dan wanneer er maar een paar aanbieders zijn.


Marktvormen

Deze marktkenmerken kunnen ons helpen met het herkennen van bepaalde marktvormen. We gaan vier verschillende marktvormen en de bijbehorende marktkenmerken bespreken. Er zijn vier marktvormen: volkomen concurrentie, monopolistische concurrentie, oligopolie en monopolie. Aan de hand van de marktkenmerken zullen we de marktvormen dus bespreken.


Volkomen concurrentie

In een markt waar er volkomen concurrentie is, zijn er héél veel aanbieders en héél veel vragers. Omdat er dus zoveel aanbieders zijn, heeft een individuele aanbieder geen invloed op de prijs. Daarnaast is er bij volkomen concurrentie spraken van een homogeen product. Dit houdt dus in dat het product in de ogen van de klant altijd hetzelfde lijkt, ongeacht van welke aanbieder het komt. Tenslotte is het van belang dat er geen grote toetredingsbarrières zijn. Heel veel voorbeelden van échte volkomen concurrentie zijn er niet, door het homogene product en de vele aanbieders.


Een voorbeeld zou kunnen zijn: de markt voor graan in de wereld. Er zijn namelijk heel veel verschillende boeren die graan verbouwen en aanbieden. Daarnaast is het ook zo dat de vragers doorgaans het verschil niet zo merken tussen het graan van verschillende aanbieders. Graan is dus een homogeen product. Daarnaast is er niet een enorme investering nodig om graan te verbouwen en hebben individuele graanverbouwers geen invloed op de algemene vraagprijs, voornamelijk doordat er heel veel andere aanbieders zijn en ze allemaal precies hetzelfde aanbieden. De prijs wordt hier dus bepaald door het marktmechanisme, waar we het eerder in de samenvatting al over gehad hebben.


Monopolistische concurrentie

Naast volkomen concurrentie hebben we ook monopolistische concurrentie. Een monopolistische concurrentie lijkt een beetje op een volkomen concurrentie. Er zijn weer heel veel aanbieders, heel veel vragers en de toetredingsbarrières zijn heel laag. Het verschilt echter van de volkomen concurrentie omdat het nu gaat over een heterogeen product. Dit betekent dat vragers nu wel degelijk merken dat de producten van verschillende aanbieders van elkaar verschillen. De aanbieders doen hierbij aan productdifferentiatie. Dit houdt in dat ze zichzelf willen onderscheiden van andere aanbieders door wat extra’s te bieden of een uniek uiterlijk aan hun product te geven. Doordat ze nu een beetje kunnen differentiëren met hun product, hebben ze ook iets meer invloed op de prijs.


Denk hierbij aan restaurants. In principe bieden ze allemaal hetzelfde product aan, namelijk eten. Maar, het kan natuurlijk enorm verschillen per restaurant wat we van het eten vinden. De producten van de restaurants verschillen van elkaar, dus ze bieden een heterogeen product aan. Je hebt ook goedkope en dure restaurants, dus ze kunnen een beetje invloed hebben op de prijs die ze vragen. Daarnaast zijn er heel veel restaurants en is de toetredingsbarrière niet hoog, dus spreken we van monopolistische concurrentie.


Oligopolie

Vervolgens hebben we een marktvorm die we een oligopolie noemen. Deze keer zijn er weer veel vragers, maar slechts een paar aanbieders. Dit komt vaak doordat er grote toetredingsbarrières zijn; het is erg moeilijk om de markt te betreden. Omdat het dus erg moeilijk is om de markt te betreden en er maar een paar aanbieders zijn, kunnen de aanbieders invloed uitoefenen op de prijs. Je hebt homogene oligopolies en heterogene oligopolies. Een voorbeeld van een homogeen oligopolie is een bank. Er zijn namelijk niet heel erg veel banken, maar ze verkopen doorgaans wel hetzelfde product.


Een voorbeeld van een heterogeen oligopolie is de telefoonindustrie. Er zijn niet super veel verschillende merken telefoons waar je tussen kunt kiezen. De toetreding van de telefoonmarkt is namelijk niet erg gemakkelijk; er is flink wat nodig om een telefoon te kunnen ontwikkelen. Maar, de telefoons van verschillende merken verschillen wel erg van elkaar. Je kan met een iPhone en een Samsung allebei bellen en appen, maar mensen hun voorkeur verschilt enorm!


Monopolie

Als laatste hebben we nog een monopolie. Bij een monopolie zijn er weer veel vragers, maar deze keer maar één aanbieder of producent. Deze aanbieder heeft dus geen concurrenten en kan dus helemaal zelf de prijs bepalen. De monopolist wilt natuurlijk nog steeds wel de winst maximaliseren, dus daar moeten ze wél rekening mee houden in het zetten van de prijs. Het product dat ze verkopen is homogeen, maar goed, er zijn ook geen concurrenten, dus we kunnen het product niet vergelijken met dat van andere aanbieders. Een voorbeeld van een monopolist is de Nederlandse Spoorwegen, oftewel de NS. In Nederland is dit de enige aanbieder van treinreizen.


Er bestaan drie soorten monopolies. Er is een natuurlijke monopolie: deze ontstaat door natuurlijke oorzaken. Er kan in een land bijvoorbeeld maar één partij zijn die toegang heeft tot olie. Deze heeft dus een monopolie op olie. Daarnaast is er een economische monopolie. Deze ontstaat door economische oorzaken. Er is dan maar één partij die het zich kan financieel kan veroorloven om een product te produceren. Als laatste is er nog een overheids-monopolie of een wettelijk monopolie. Deze ontstaat doordat de overheid heeft bepaald dat er volgens de wet niet meer dan één aanbieder mag zijn. Denk hierbij aan het drukken van geld. Dat mag enkel gedaan worden door de Centrale Bank.