Aardrijkskunde

10. Bevolkingsgroei en ruimte

Gegeven door:
Richard Mozes
Beschrijving Begrippen Examenvragen

In deze aardrijkskunde uitlegvideo gaan we het hebben over bevolkingsgroei en ruimte. We zullen kijken het verschil tussen natuurlijke en sociale bevolkingsgroei en -afname. Daarbij komen begrippen zoals vergrijzing, ontgroening en migratie aan bod. Heel interessant dus!

Arbeidsmigratie

Migratie naar een ander land met als doel hier werk te vinden

Bevolkingsdichtheid

Het gemiddelde aantal mensen dat in een gebied of land per vierkante kilometer woont. Het totaal aantal mensen delen door de oppervlakte

Bevolkingsgroei

De toename van de bevolking in een bepaald gebied gedurende een bepaalde tijd

Bevolkingsspreiding

De manier waarop de bevolking over een bepaald gebied is verspreid

Geboortecijfer

Het aantal levendgeborenen in een land per duizend inwoners per jaar

Grijze druk

In de leeftijdsopbouw van een land is de groep ouder dan 65 jaar groter in verhouding tot de groep van 20-64 jaar

Migranten

Bewoners die verhuizen naar een ander land of ander gebied (bijvoorbeeld van platteland naar de stad) met als doel hun leefsituatie te verbeteren

Natuurlijke bevolkingsgroei

Bevolkingsgroei in een land door het verschil tussen geboorte en sterfte

Sterftecijfer

Het aantal sterfgevallen in een land per duizend inwoners per jaar

In 2016 kwamen veel migranten naar Duitsland die daar asiel aanvroegen. Na een periode van hoge immigratie komt er vaak een tweede stroom migranten, die het gevolg is van deze migratie. 

Noem een aardrijkskundig begrip voor deze tweede stroom migranten.

C1. Bevolkingsontwikkeling en ruimtegebrek

C2. Bevolkingsontwikkeling en ruimtegebrek in China

Bevolkingsgroei en ruimte in Nederland

De overheid - rijk, provincie en gemeente - wil steeds zo nauwkeurig mogelijk weten hoe de bevolking zich ontwikkelt in een aantal opzichten. Of het groeit in aantal, hoe het staat met de leeftijdsopbouw, met de inkomens, waar men gaat wonen, enzovoort. Dan kan men namelijk rekening houden met de planning, van woningbouw, industrie, vervoer daar naar toe, onderwijsinstellingen, scholen, zorg en ziekenhuizen.


Voor het eindexamen aardrijkskunde en sommige toetsen moet je een paar begrippen kennen, waarmee dan gewerkt wordt om de bevolkingsontwikkeling te kunnen volgen. 


We kijken bijvoorbeeld eerst naar bevolkingsgroei (en -afname), naar bevolkingsgverandering, (waaronder vergrijzing en ontgroening vallen), naar een begrip als migratie en naar de bevolkingsopbouw, die je dan ook per land kunt vergelijken aan de hand van een bevolkingspiramide.


Bevolkingsgroei

De bevolkingsgroei is de toename van het aantal inwoners in een gebied of land in een bepaalde periode. Je hebt:


1. Sociale bevolkingsgroei: groei van buitenaf, door maatschappelijke invloeden, zoals van migratie (emigratie en immigratie).

2. Natuurlijke bevolkingsgroei. Dat is groei door geboorte en sterfte.


Natuurlijke bevolkingsgroei meet je door het sterftecijfer in een gebied in de bepaalde tijd te vergelijken met het geboortecijfer, dus het aantal overledenen vergeleken met het aantal geborenen. Het verschil in aantal is de toename (of soms afname). Worden er meer baby's geboren dan ouderen sterven, dan spreken we van een geboorteoverschot. Sterven er juist meer personen dan er geboren worden van een sterfteoverschot.


Om de bevolkingsgroei van landen met elkaar te kunnen vergelijken wordt het zogeheten transitiemodel gebruikt. 

In zo’n tabel worden de hoogten van het geboortecijfer en sterftecijfer van een land over een aantal jaren uitgezet.


Vergrijzing

Vergrijzing is de groei van het aantal ouderen in vergelijking met de totale bevolking. Vaak werken zij niet meer, en ze blijven langer leven door de verbeterde medische zorg, maar ze moeten wel onderhouden worden. Grijze druk heet dat. De verhouding tussen personen tussen 20-65 jaar, de werkende bevolking, en degenen boven de 65 die niet meer werken. De inkomsten en belasting van de eerste groep moet de groei van de tweede groep opvangen. 65 Jaar was de leeftijd dat men met pensioen kon in Nederland. Dat wordt opgeschoven naar 67, mede vanwege die economische druk. De overheid, de gemeente bijvoorbeeld, moet hier allerlei maatregelen voor nemen. Ze moeten voorzieningen regelen, - voor huisvesting, verzorging, medische zorg. 


Ontgroening is dan de daling van het percentage jongeren op de totale bevolking. Dat is dus als er relatief minderen jongeren bijkomen, bijvoorbeeld doordat de gezinnen steeds kleiner worden. Dan wordt later de grijze druk nog groter, want zij zullen later met een minder groot aantal de ouderen moeten onderhouden.


Sociale bevolkingsgroei (door migratie)

De sociale bevolkingsgroei is, in tegenstelling tot de natuurlijke bevolkingsgroei, in Nederland sinds 1950 juist toegenomen. Dat komt door migratie. (Dan zijn er dus meer mensen in Nederland ge-immigreert dan ge-emigreert.)


Migratie is een verhuizing van mensen waarbij een geografische grens wordt overgestoken, met het doel zich ergens anders te vestigen. Vanuit Nederland naar het buitenland heet dat emigratie. Vanuit het buitenland naar Nederland heet dan immigratie. Gaat men terug naar het land van herkomst, dan heet dat remigratie. Je hebt ook nog seizoensmigratie. Dan verhuist men niet om zich definitief elders te vestigen, maar om tijdelijk ergens anders (over de grens of in een ander plaats) te werken dan waar men woont.


Sinds 1950-60 kwamen er veel migranten uit landen rond de Middellandse zee naar Nederland, Duitsland, België, Zweden en andere landen in Noordwest-Europa. Eerst waren dit vooral Spanjaarden en Italianen, later Marokkanen en Turken


Aantrekkingsfactoren (d.w.z. factoren die het aantrekkelijk maakten voor deze migratie):

Betere salarissen, meer aanbod van werk, betere sociale voorzieningen, betere leefomstandigheden (wonen enz.).

Afstotingsfactoren (d.w.z. factoren die hun eigen gebied onaantrekkelijk maakten om te werken):

Nauwelijks sociale voorzieningen, armoede, werkeloosheid, slechte salarissen, slechtere leefomstandigheden.


De migranten kwamen vooral in de steden terecht, waar veel werk te vinden was. Ook veel werk dat de inwoners zelf niet wilden doen. Deze arbeidsmigranten, zoals ze ook genoemd werden, of gastarbeiders, kwamen eerst alleen, en wanneer het ze hier beviel, lieten ze vrouw en kinderen gezellig overkomen. Gezinshereniging heet dat.

     

In de jaren 70 volgde er een stroom migranten vanuit de Nederlandse kolonie Suriname, dat in 1975 onafhankelijk werd. Voor sommigen was het moeilijk kiezen: het Nederlandse of Surinaamse staatsburgerschap. Sinds de jaren 90 zijn er veel migranten uit Oost-Europa en het Midden Oosten naar West-Europa gekomen. 


Al met al heeft ook de migratie bijgedragen aan de bevolkingsgroei in Nederland. De bevolkingsdichtheid, een ander begrip, is behoorlijk toegenomen Bevolkingsdichtheid is het gemiddeld aantal personen per km2. Tussen 1950 en 2018 groeide dat van ongeveer 350 personen per km2 naar 500 per km2. De totale bevolking groeide van 10 naar 17 miljoen. Daarvan zijn ongeveer 4 miljoen allochtoon, d.w.z. dat minimaal één ouder in het buitenland is geboren.