Geschiedenis

4. Conflict en christendom (Kenmerk 7&8)

Gegeven door:
Rick Ouwehand
Beschrijving Begrippen Examenvragen

In deze samenvatting vind je informatie over alles wat met tijdvak 7 en 8: conflict en christendom te maken heeft. Welke verschillen tussen de Grieks-Romeinse- en de Germaanse cultuur zorgden voor conflicten en hoe uitte zich dit? En hoe groeide het christendom? Dat en meer kom je te weten op deze pagina met uitleg voor geschiedenis.


Voor havisten geldt dat tijdvak 1 tot en met 4 alleen relevant zijn voor SE’s en je dit niet hoeft te leren voor het eindexamen geschiedenis.

Burgerschap

De manier waarop burgers deel hebben in en deelnemen aan de samenleving. Dit heeft een politieke, sociale, culturele en economische dimensie.

Democratie

Een staatsvorm waarbij het volk regeert. Het volk regeert door middel van een volksvertegenwoordiging/parlement.

Directe democratie

Een regeringsvorm waarbij burgers zelf direct wetsvoorstellen kunnen indienden en hierover kunnen stemmen.

Diplomatie

Het kunnen voeren van een overleg tussen twee groepen om daarmee een bepaald doel te kunnen bereiken.

Ketters

Mensen die het niet eens zijn met de algemene geloofsleer.

Batavia

De hoofdvestiging van de Verenigde Oost-Indische Compagnie in Azië, het huidige Jakarta.

Monotheïsme

Een religie waarbij men in één god gelooft. Dit is het tegenovergestelde van polytheïsme.

Polytheïstisme

Een religie waarbij men in meerdere goden gelooft. Dit is het tegenovergestelde van monotheïsme.

Tenach

Het heilige boek, de ‘bijbel’, van het jodendom.

De Romeinen vervolgden aanhangers van andere godsdiensten dan de Romeinse religie meestal niet. Maar christenen werden, tot het begin van de vierde eeuw, wel vervolgd.

Verklaar dit verschil door aan te geven:

  • waardoor de verdraagzaamheid tegenover andersgelovigen het Romeinse imperialisme diende en
  • waardoor de christelijke religie door het Romeinse bestuur aanvankelijk werd gezien als een politiek gevaar.
1. Jagers en verzamelaars

10. Tijd van televisie en computers

2. Grieken en Romeinen

3. Christendom en Islam

4. Steden en Staten

5. Ontdekkers en Hervormers

6. Regenten en Vorsten

7. Pruiken en Revoluties

8. Burgers en Stoommachines

9. Tijd van wereldoorlogen

Kelten en Germanen

In de tijd van het Romeinse rijk leefden in Noord- en West-Europa vooral wat simpelere volken. De bekendste volkeren van die tijd zijn Kelten en Germanen, die als boeren leefden. Zij kwamen voor het eerst in aanraking met de Romeinen rond 50 v.C., toen Julius Caesar met zijn expansiedrift naar het noorden trok. Er volgden vele gevechten in Gallië. De Romeinen wonnen de strijd uiteindelijk en namen een deel van ‘Germania’ in: het huidige Duitsland. Ondanks deze overname bleven de Germanen een geduchte tegenstander voor de Romeinen, waardoor zij niet nóg meer land konden innemen. Een voorbeeld van de opstandigheid is de Bataafse opstand rond 70 v.C.


Cultuurverschillen

De Romeinen waren hun tijd ver vooruit, maar de Germanen niet. Zij leefden nog in landbouwsamenlevingen en hadden nog geen kennis gemaakt met het schrift. Het Germaanse volk kwam daardoor erg barbaars over op de Romeinen, al bewonderden zij hen wel vanwege hun onverschrokken vechtlust. De Germanen begrepen anderzijds weer niets van de Romeinse cultuur.


Slag bij Teutoburgerwoud

De Germanen begonnen de Romeinen uiteindelijk steeds meer te overheersen, wat voor een groot deel kwam doordat de Germanen en Galliërs veel betere ruiters hadden dan de Romeinen. Het was echter niet zo dat de Germanen de Romeinse cultuur vernietigden: ze namen het zelfs over. Uiteindelijk werden de Romeinen in 9 n.C. verslagen bij de slag bij Teutoburgerwoud. Hierbij werden drie legioenen vermoord, wat gelijk staat aan zo’n 18.000 Romeinen. Vanaf dat moment maakten de Germanen de dienst uit in Noordwest-Europa.


Polytheïstische godsdiensten

Voor het ontstaan van godsdiensten als het christendom en het jodendom, geloofden Grieken, Romeinen en Germanen in polytheïstische godsdiensten. Een polytheïstische godsdienst is een godsdienst waar in meerdere goden wordt geloofd. Zo zagen de Romeinen ook hun keizer als God.


Monotheïstische geloven

Monotheïstische godsdiensten zijn geloven waarbij het bestaan van één God wordt erkend. Het eerste monotheïstische geloof is het jodendom. In hun heilige boek – de Tenach – staat beschreven dat Jeruzalem de hoofdstad van het geloof is en dat David koning is. Ook staat er geschreven over de profeet Mozes, die tien geboden ontvangen had van God, toen hij met andere joden vluchtte uit Egypte. Het eerste gebod hield in dat je maar één God mocht eren: Jahweh. Joden leefden in die tijd verspreid over de hele wereld, met overal andere culturen. Het was daardoor erg moeilijk voor joden om zich aan de geboden te houden. Romeinen verwachtten namelijk van en dat zij ook de keizer als God zouden vereren.


Het christendom

Vanuit het jodendom ontstond later een tweede monotheïstisch geloof: het christendom. Zij hadden ook een heilig boek - de bijbel – en hun profeet was Jezus van Nazareth. Jezus leefde rond het jaar nul, en daar is onze jaartelling op gebaseerd. Naar verluid waren de Romeinen bang voor een opstand en nagelden zij Jezus aan het kruis. Christenen weigerden later om de Romeinse keizer als God te vereren en werden daarom vervolgd. Deze verhalen werden eerst mondeling verteld en later werd het opgeschreven in het oude- en nieuwe testament.


Opkomst van het christendom

Hoewel de Romeinen zeiden verdraagzaam te zijn tegenover andere geloven, werden het jodendom en het christendom niet erkend als geloven. Ze zagen het als sektes. Ondanks de vervolgingen - vanwege het weigeren om de keizer als God te erkennen – groeide het christendom. Dit is te verklaren door de goede organisatie vanuit de kerk, de duidelijke leefregels die bij het geloof hoorden, de belofte van een leven na de dood, de gedachte dat status en bezit niet van belang waren en de onverschrokkenheid van de martelaren.


Kettervervolging

Rond 300 na Christus was zo’n tien procent van de Romeinen Christen. De keizer – Constantijn de Grote – zag in dat hij er niet meer omheen kon en maakte het christendom gelijk aan andere religies. Tegen de tijd dat keizer Theodosius aan de macht kwam werd het christendom een staatsgodsdienst. Uiteindelijk, rond 392 n.C., werden alle andere godsdiensten verboden. Niet-christenen werden ‘ketters’ genoemd en werden vervolgd en opgepakt.


Einde van het Romeinse rijk

In de tweede eeuw na Christus bereikte het Romeinse rijk zijn maximale omvang. Het was zó groot dat het erg lastig te besturen werd. Wat volgde was een periode van onrust, geweld en machtsverdelingen. Vanaf 285 n.C. was het Romeinse rijk opgedeeld in een oostelijk en een westelijk deel. Het oostelijke deel was Griekstalig en had Constantinopel als hoofdstad. In West-Romeinse rijk sprak men Latijn en was Milaan de hoofdstad.


In 476 n.C. kwam het West-Romeinse rijk ten einde. Dit gebeurde na een opstand die geleid werd door Odoaker. De Germanen konden aanvallen, doordat een groot deel van het Romeinse leger uit Germaanse huurlingen bestond. Zij zetten de laatste West-Romeinse keizer – Romulus Augustulus – af. Het Oost-Romeinse rijk bleef nog eeuwen lang in tact.