Frans

2. Signaalwoorden

Gegeven door:
Laura den Boer
Beschrijving Begrippen Examenvragen
Wat moet je precies allemaal doen als je gaat tekstverklaren op je Frans examen? Een belangrijk onderdeel is het herkennen en begrijpen van de signaalwoorden. Deze video helpt je daarbij!
Signaalwoorden voor een uitbreiding/opsomming

Ainsi que (net als), Aussi (ook), D’abord (eerst), D’ailleurs (‘en dan nog iets’), D’autant (plus) que (des te meer omdat), D’une part… d’autre part (enerzijds, anderzijds) De même (op dezelfde manier), Également (ook, eveneens), En outre (bovendien), En plus/ de plus (bovendien), Enfin (ten slotte), Ensuite (bovendien), Et puis (en toen), Même (zelfs), Sinon (overigens)

Signaalwoorden voor een tegenstelling

À l’inverse (omgekeerd), Alors même que (hoewel, terwijl), Alors que (terwijl), Au contraire (daarentegen), Bien que (hoewel), Bien sûr (uiteraard), Cependant (desalniettemin), Certes (zeker), Contrairement (in tegenstelling tot), En contrepartie (integendeel), En fait (eigenlijk/in feite), En revanche (daarentegen), Mais (maar), Malgré (ondanks), Malgré tout (toch), Même si (zelfs als), Néanmoins (desalniettemin), Or (welnu), Par contre (daarentegen), Le paradoxe (de tegenstelling), Par ailleurs (daarentegen), Pourtant (toch), Quand même (toch), Reste que (blijft het feit dat), Toutefois (toch), Tout en (terwijl), Critiquer (bekritiseren), Mettre en doute (in twijfel trekken)

Signaalwoorden voor een voorbeeld

Ainsi (zo), Comme (zoals), Par exemple (bijvoorbeeld)

Signaalwoorden voor een doel

Afin de (opdat), Le but (het doel), L’objectif (het doel), Pour que (opdat), Sans que (zonder dat), De/en sorte que (opdat)

Signaalwoorden voor een reden

C’est pour cela que (het is daarom dat..), C’est pourquoi (het is daarom…), C’est que (dat is omdat…), Car (want), En raison de (door/vanwege), Parce que (omdat), Puisque (aangezien), Avant tout (voornamelijk), Surtout (vooral), Tel que (omdat)

Signaalwoorden voor een voorwaarde

À condition que (op voorwaarde dat), Grace à (dankzij), Malgré (ondanks), Sinon (zo niet), Quand (wanneer)

Signaalwoorden voor een verandering in tijd

À l’époque (destijds), À l’origine (oorspronkelijk), À partir de (vanaf), Aujourd’hui (vandaag de dag), Auparavant (vooraf/van tevoren), Autrefois (vroeger), Avant (voorheen), D’abord (eerst), De nos jours (tegenwoordig), Depuis (sinds), Dès (vanaf/zodra), Désormais (voortaan), Ensuite (vervolgens), Et puis (en toen), Finalement (tot slot), Hier (gisteren), Lorsque (toen/zodra), Maintenant (nu), Pour l’instant (nu/momenteel), Puis (toen), Toujours (altijd/nog steeds)

Signaalwoorden voor een conclusie

Bref (kortom), Donc (dus), En clair (kortom), En effet (inderdaad), En résumé (samengevat), En somme (kortom/samengevat), Finalement (tenslotte), Alors (dus), Voillà pourquoi (dat is omdat)

Signaalwoorden voor een gevolg

Ainsi (zo/op die manier), Il en résulte que (daaruit volgt dat), Le résultat (het resultaat), Par conséquent (als gevolg)

Momenteel zijn er nog geen examenvragen voor deze video.
A1. Tekstverklaren FR