Geschiedenis

6. Hofstelsel en horigheid (Kenmerk 11 en 12)

Gegeven door:
Rick Ouwehand
Beschrijving Begrippen

Op deze pagina leer je alles over kenmerk 11 en 12: hofstelsel en horigheid. We vertellen je over de agrarisch-urbane cultuur, het feodale stelsel, de zelfvoorzienende agrarische cultuur en het leenstelsel. Gebruik deze uitleg om te leren voor het geschiedenis examen!

Monotheïsme

Een religie waarbij men in één god gelooft. Dit is het tegenovergestelde van polytheïsme.

Godsdienst

Het geloof in een god of meerdere goden. Wordt ook wel religie genoemd.

Kalifaat

Een staat die geregeerd wordt door een opvolger van de islamitische profeet Mohammed.

Bijbel

Het heilige boek van de christenen.

Soennieten

De grootste van twee hoofdstromingen binnen de Islam. Soennieten volgen naast de koran ook de soenna: de levenswijze van profeet Mohammed.

Sjiieten

De kleinste van twee hoofdstromingen binnen de Islam. Sjiieten zien Ali, de schoonzoon en neef van de profeet Mohammed, en zijn nakomelingen als de ware leiders van de islamitische wereld.

Missionarissen

Een persoon die door de katholieke kerk gezonden wordt om het geloof te verspreiden.

Kerstening

Het proces waarbij niet-christelijke volkeren zich, vaak massaal, tot het christendom bekeren.

Seculiere geestelijken

Priesters die gehoorzaamheid beloven aan de bisschop die hen wijdt.

Monnik

Iemand die vanuit religieuze overtuiging voor een speciale levensinvulling kiest. Een monnik leeft teruggetrokken en in een klooster.

Priester

Een persoon die religieuze handelingen verricht. Hij zorgt voor het contact tussen de mensen en (de) god(en).

Feodaal stelsel

Een maatschappelijk stelsel waarbij de hogere klasse een grondgebied leent aan iemand uit de lagere klasse, in ruil voor geld of andere diensten.

1. Jagers en verzamelaars

2. Grieken en Romeinen

3. Christendom en Islam

4. Steden en Staten

5. Ontdekkers en Hervormers

6. Regenten en Vorsten

7. Pruiken en Revoluties

8. Burgers en Stoommachines

9. Tijd van wereldoorlogen

A.10 Tijd van televisie en computers

Terugkeer van de landbouw

Na het uiteenvallen van het westerse Romeinse rijk werd de economie weer volledig agrarisch. Iedereen werkte in de landbouw, behalve de geestelijken en de mensen die van adel waren. De landbouwarbeiders woonden in kleine landbouwgemeenschappen en de enige vorm van handel die er was, was ruilhandel. Dit was een stap terug, vergeleken met het ooit zo welvarende Romeinse rijk.


Doordat bijna iedereen in de landbouw werkte, verdwenen er veel beroepen en werden de machtsverschillen groter. Mensen van adel en grootgrondbezitters hadden alle macht. Bestuurders, krijgsheren en rechters kwamen allemaal uit deze groep, waardoor het machtsverschil in stand werd gehouden.


Vrije en onvrije boeren

Er was een verschil tussen de boeren. Er waren vrije boeren, die hun eigen grond en oogst mochten houden, en er waren onvrije boeren: ook wel horigen genoemd. Zij mochten een stuk grond pachten van de landheer, maar alleen in ruil voor een deel van hun oogst. De vrije boeren moesten wel meevechten in het leger, in tegenstelling tot de onvrije boeren.


Hofstelsel

Zowel de vrije- als de onvrije boeren leefden binnen het domein - grondgebied - van een landheer. Het domein is de belangrijkste sociaaleconomische eenheid van de middeleeuwen. Het uitlenen van een stuk land van de heer aan een boer in ruil voor een deel van de oogst of dienstplicht noemen we het hofstelsel. Dit ontwikkelde zich voornamelijk in noordwestelijk Europa.


Ruilhandel

Door het ontstaan van het hofstelsel vielen veel Romeinse steden weg. Hierdoor ontstond een nieuw machtsvacuüm, wat ervoor zorgde dat edelen probeerden om hun gebied uit te breiden. Er kwam veel onrust, waardoor het vaak te gevaarlijk werd voor gewone burgers om te gaan reizen. Handelaren durfden zich daardoor niet meer zomaar door Europa te bewegen. De internationale handelscentra veranderden in kleine, regionale marktplaatsen. Geld verdween weer als ruilmiddel en de ruilhandel kwam terug.


Doordat er bijna niet meer gereisd werd, konden veel belangrijke grondstoffen niet meer geleverd worden. De productie van nijverheid nam daardoor af. Gemeenschappen konden niet anders dan zelfvoorzienend worden om te overleven.


Het Romeinse belastingsysteem werd niet meer gebruikt, waardoor het niet meer mogelijk was om ambtenaren te bekostigen. Veel belangrijke functies werden daarom uitsluitend vervuld door vertrouwelingen van de machtshebber.


Het leenstelsel

Ten tijde van het oude Romeinse rijk werd een grondgebied bestuurd vanuit één centraal punt. Dit veranderde in de middeleeuwen, waar het feodale stelsel zijn intrede deed. Feodum betekent ‘leen’ in het Latijn, dus je hun het feodale stelsel ook wel het leenstelsel noemen. Bij het leenstelsel worden stukken grond door leenheren uitgeleend aan leenmannen. De leenman legt een eed af, sluit een persoonlijk contract en belooft een aantal diensten te verrichten. Als wederdienst geeft de leenheer bescherming en een stuk grond te leen. Dit feodale stelsel ontstond rond 700 n.C. in het Frankische rijk en werd later overgenomen door de rest van Europa.


Karel Martel had de leiding over het Frankische rijk en voerde vele oorlogen. Hij liet soldaten beloven dat ze hem trouw zouden blijven, en in ruil daarvoor konden ze een stuk land lenen. Ze waren daardoor zelfvoorzienend. Dit kan gezien worden als de eerste stap naar het leenstelsel. Zijn kleinzoon – Karel de Grote – breidde het systeem uit en liet het leenstelsel koppelen aan het bestuur. Ook hertogen en graven werden toen leenmannen. Het gebied dat zij bestuurden werd leengoed.


Piramidestelsel

Je kunt het leenstelsel zien als een soort piramide. Bovenaan staat de hoogste leenheer: de koning. De koning gebruikte de opbrengsten van het systeem voor zichzelf en het bestuur binnen het rijk. Daaronder staan de graven en hertogen, die in ruil voor de bescherming een eenmalige betaling moesten doen en moesten beloven dat zij de koning zouden helpen in tijden van oorlog. De graven en hertogen namen vervolgens leenmannen in dienst die hen konden helpen. Zij staan onderaan de piramide.


Nadelen van het leenstelsel

Het leenstelsel werkte als volgt: een graaf of hertog krijgt een gebied te leen van de koning. Hij leent dit gebied zelf weer uit aan een vertrouweling, die we een achterleenman van de koning noemen. Zij konden hun leengoed ook weer doorgeven.


Een nadeel van het feodale systeem is dat leenmannen het gebied als hun eigendom beschouwden. Wanneer een leenman overleed ging het gebied naar zijn oudste zoon, maar hij had geen eed afgelegd en dus niets beloofd aan de leenheer. Een ander probleem was dat een aantal leenmannen meerdere leenheren had. Als die met elkaar in oorlog waren, was het erg lastig voor de leenman om een kant te kiezen. De eed werd daardoor steeds zwaarder. Leenmannen kozen daarom vaak voor de heer die hen het meeste bood. De macht begon daardoor steeds meer bij de leenmannen te liggen.