Geschiedenis

3. Grotere invloed van de burgerij in de stad

Gegeven door:
Sjors de Slager
Beschrijving Begrippen

Deze uitlegvideo gaat over drie onderwerpen, die alledrie te maken hebben met grotere invloed van de burgerij in de stad, waardoor die van de adel en de geestelijkheid in de stad in de late middeleeuwen steeds minder werd. De onderwerpen die we gaan behandelen zijn: de stedelijke burgers die steeds meer taken overnemen, de reactie van de kerk en de stedelijke burgerij die het 'algemeen belang' uitvindt. Gebruik deze uitleg om je voor te bereiden op het geschiedenis examen, SE's of andere toetsen!

B1: Opkomst stedelijke burgerij (1050-1302)

ThumbnailPlay
ThumbnailPlay
ThumbnailPlay
B2: Sociaaleconomische en politieke ontwikkelingen (1302-1600)

B3: Republiek in de Gouden Eeuw (1602-1700)

Overname van de stedelijke burgerij

In de voorafgaande samenvatting heb je geleerd dat de stedelijke burgerij steeds meer macht wist te verkrijgen in hun stad, en wel op 2 fronten:


1. Doormiddel van stadsrechten te kopen wist de stedelijke burgerij ervoor te zorgen dat de taken van de adel binnen de stad minder werden. Bestuurstaken en juridische taken werden bijvoorbeeld van hen overgenomen door de burgerij. 

2. Maar niet alleen de adel werd minder belangrijk. Ook de geestelijken verloren invloed in de steden aan de stedelijke burgerij. De stedelijke burgerij nam namelijk taken van hen over, zoals de sociale zorg, het onderwijs en het beheer van de stad.


Drie functies van de kerk in de stad

Voordat de verstedelijking in de Nederlandse gewesten had plaatsgevonden had de kerk, en dan bedoelen we vooral de katholieke kerk van toen, drie belangrijke functies in de samenleving: 

1. Ten eerste natuurlijk het verspreiden van het christelijke geloof. 

2. Ten tweede was de kerk de waarborger van de sociale en ziekenzorg en; 

3. De derde functie van de kerk was het faciliteren van onderwijs. 


Zorgtaken en onderwijs van de geestelijkheid in andere handen

Door de verstedelijking namen de zorgtaken van de geestelijkheid af. Dit had ten eerste te maken met de opkomst van de gildes. Ambachtsgildes en koopliedengildes zorgden er namelijk zelf voor dat hun leden gesteund en verzorgd werden. 


Tot dan toe hadden de katholieke kloosters op het platteland het alleenrecht op ernstig-ziekenverzorging, maar nu namen de stadsbesturen dat over. Zij creëerden bijvoorbeeld ook gekkenhuizen, wat we nu een psychiatrische inrichting zouden noemen. Dit deden zij om de mensen met een geestesziekte in de stad een onderdak te geven en hen onder controle te kunnen houden. 


Buiten de zorg werd ook veel van het onderwijs ook overgenomen door de stedelingen. De vroegere kloosterscholen, die geleid werden door katholieke priesters, moesten steeds meer plaats maken voor een andere vorm van onderwijs, dat niet langer door de kerk gestuurd werd. Dit onderwijs was minder gericht op de bijbel en Latijnse teksten. Bovendien werd er in de lokale taal lesgegeven en kwamen er onderwerpen als handel en bestuur aan bod. 


Reactie van de geestelijkheid

De kerk, die wat het geloof betreft min of meer de alleenheerschappij had op het platteland, merkte natuurlijk dat dat in de stad anders uitpakte. Stedelingen waren wat eigenwijzer dan plattelanders, zou je kunnen zeggen. Ze hielden er meer hun eigen onafhankelijke ideeën op na. Ze wilden ook hun geloof op hun eigen manier beleven. De stedelingen dachten individualistischer, onafhankelijker en minder onderdanig. Er was kortom sprake van een meer individuele geloofsbeleving, zoals men dat noemt.        


Begijnhoven en bedelorden

De kerk merkte dus dat ze de grip kwijtraakte, en probeerde aansluiting te vinden bij de stedelijke burgerij. Hoe? Bijvoorbeeld door begijnhoven en bedelorden te vestigen in steden.


Een begijnhof bestaat letterlijk uit een hofje in de stad met kleine huisjes, waar vrome, alleenstaande ongetrouwde vrouwen mochten wonen. Ze woonden en werkten vaak zelfstandig en genoten op deze manier bescherming. Je moet namelijk weten dat in er die tijd een groot vrouwenoverschot was, doordat in de recente oorlogen veel mannen overleden waren. 


Er waren wel al veel vrouwenkloosters, maar het verschil met het typische stedelijke begijnhof was dat de vrouwen in dit hof geen gelofte hoefden af te leggen, zoals de kloosterling. Ook mochten ze voor zichzelf werken en verdienen en hadden ze meer vrijheid. Een begijn moest voor eigen levensonderhoud zorgen, een kloosterling niet. Begijnen moesten wel gelovig zijn, uiteraard. Kloosterlingen beloofden in hun gelofte in armoede te leven en trouw en onderdanig te zijn aan de kerk en de kloosterleiding; dat gold niet voor begijnen. Door het vestigen van de begijnhoven probeerde de kerk deze vrouwen toch aan zich te binden. 


Een andere manier om veel van de bezitlozen, ‘gelovige paupers’, in de stad aan zich te binden was de oprichting van bedelorden door de kerk. Dit waren religieuze orden, waarbij de leden totaal afhankelijk waren van bedelen en liefdadigheid om te kunnen overleven. Ze leefden in armoede om zich volledig te kunnen focussen op het religieuze werk dat de kerk hen opdroeg. 

 

Reactie binnen de kerk: de moderne devotie

Die individuele geloofsbeleving, waar vooral stedelingen behoefte aan leken te hebben, leidde op de duur ook tot een breder gesteunde religieuze beweging binnen de katholieke kerk: de moderne devotie. Devotie betekent letterlijk toewijding, en hier wordt bedoeld: toewijding aan het geloof; vroomheid. Deze beweging kwam op in de katholieke kerk aan het einde van de 14e eeuw.


Er groeide bij veel individuele gelovigen namelijk een algemene onvrede over de nogal makkelijke manier waarop veel kerkleiders en priesters omgingen met hun geloften over het celibaat (niet trouwen, geen seks hebben) of armoede (de kerk pronkte steeds meer met haar pracht en praal). Het was de Nederlander Geert Grote (14e eeuw) uit de Hanzestad Deventer die als de grondlegger van de Moderne Devotie wordt gezien.


Hij predikte soberheid, vroomheid en eenvoud, als dé manier om een plek in de hemel te verdienen, en hij verketterde het soms losbandige gedrag van veel katholieke leiders. Hij vond dat ieder mens zijn eigen verantwoordelijk moest nemen om een goed christen te zijn. Dat hield in dat mensen zelf onderzoek moesten doen naar verdieping van het geloof, door bijvoorbeeld Bijbelse teksten te bestuderen zonder inmenging van een priester. 


Het leidde tot een steeds bredere, zelfs Europese vernieuwende beweging, die door steeds meer katholieken werd gesteund, maar wat later uitliep op afscheiding van de heilige moederkerk. Ook zou het de basis voor de reformatie en het protestantisme zou betekenen. Hierover meer in een latere video, maar mocht je branden van verlangen om te weten wat dit is, hier een kleine definitie: De reformatie was een 16e -eeuwse protestantse beweging, die ertoe leidde dat er een splitsing ontstond in de christelijke kerk. De christenen scheidden zich af van de katholieken. Maar ja, dat was een paar eeuwen later pas.


De stedelijke burgerij vindt het algemeen belang uit 

De stedelijke burgerij manifesteerde zich ook op andere punten in de maatschappij. Nieuwe opvattingen en ideeën over het algemeen belang van stedelingen kwamen op. Het algemeen belang werd vertaald als: ‘Wat voor het welzijn van het volk het beste is’. Dat welzijn wordt in het Latijn “bonum commune” genoemd, letterlijk: de goede gemeenschap. Het was de bedoeling dat het bestuur van de stad het welzijn van haar inwoners bevorderde. Dat was nieuw. De adel had eerder vooral haar eigen belangen bevorderd, en de kerk eigenlijk ook.

    

Het stadsbestuur bevorderde het welzijn op twee manieren:

1. Ten eerste door voor meer veiligheid te zorgen. De openbare orde werd gehandhaafd met behulp van politie, en de verdediging van de stad werd versterkt. 

2. Ten tweede werden er nieuwe openbare gebouwen geopend, toegankelijk voor iedereen, zoals een stadhuis, het had een belangrijke bestuurlijk functie. Ook werd de infrastructuur verbeterd: de wegen die de toegankelijkheid van de stad met haar markten vergrootte.


In feite werd met het ontwikkelen van ‘het algemeen belang van alle inwoners’ de basis gelegd voor latere begrippen als staatsvorming en centralisatie en sociale betrokkenheid. Maar ook daarmee lopen we dan eeuwen vooruit.