Geschiedenis

3. Het einde van de Gouden Eeuw

Gegeven door:
Rick Ouwehand
Beschrijving Begrippen

Welkom bij deze uitlegvideo voor geschiedenis. In deze video zullen we het onder andere hebben over de economische groei en uitbreiding in Amsterdam, verschillende ontwikkelingen en de gevolgen hiervan en tot slot behandelen we het rampjaar 1672.

B1: Opkomst stedelijke burgerij (1050-1302)

B2: Sociaaleconomische en politieke ontwikkelingen (1302-1600)

B3: Republiek in de Gouden Eeuw (1602-1700)

ThumbnailPlay
ThumbnailPlay
ThumbnailPlay

Geschiedenis samenvatting: Het einde van de Gouden Eeuw


Groei van steden in de Noordelijke Nederlanden in de Gouden Eeuw

In de 17e eeuw, ook wel Gouden Eeuw genoemd, groeiden de steden in de Republiek explosief. Vooral de steden die in de zeegewesten lagen: Holland en Zeeland. Ook de wereldhandel met de Nederlanden groeide explosief. De opbrengsten werden o.a. geïnvesteerd in innovaties, zoals in nieuwe landbouwmethoden en wind-, graan- en watermolens, in droogmakerijen en of in de teelt van nieuwe gewassen. Een voorbeeld van een molen die ontwikkeld was in de 17e eeuw is de houtsneemolen. Deze nieuwe molen maakte het mogelijk om hout gemakkelijker te verwerken. Dat was weer gunstig was voor de scheepsbouw. 


De droogmakerijen waren gevestigd in gebieden waar vroeger een meer lag. Het meer werd door middel van molens droog gemalen. Hierdoor ontstond er een polder, meer land dus. Deze nieuwe poldergrond kon bestemd worden voor landbouw. Kooplieden investeerden ook in het kopen van nieuwe gewassen. Bloemenbollenteelt was bijvoorbeeld een nieuwe vorm van landbouw in de 17e eeuw.


Er ontstond zelfs een netwerk van openbaar vervoer tussen verschillende steden in de provincies Holland en Utrecht. Dit was heel vooruitstrevend voor de 17e eeuw. Dit openbaar vervoer werd bestond uit door paarden getrokken trekschuiten, die via kanalen en vaarten mensen en goederen vervoerden van stad naar stad. Befaamd was de trekschuit van Haarlem naar Amsterdam langs de Amsterdamsevaart.


Groei van Amsterdam

De snelheid van de groei in steden in de 17e eeuw was het meest zichtbaar in Amsterdam. Door haar stapelmarkt functie en haar eigen versie van de koopmansbeurs had Amsterdam een reeks van grote uitbreidingen nodig. Het aantal inwoners van de stad verdrievoudigde in 50 jaar tijd. Amsterdam had in 1650 200.000 inwoners en was hiermee de derde stad van Europa. Om al deze mensen te kunnen huisvesten moest Amsterdam drastisch uitbreiden. Zo ontstond bijvoorbeeld de grachtengordel, waar de rijke kooplieden woonden, en de Jordaan, waar de werknemers werden gehuisvest. 


Een groot deel van de bevolkingsgroei kwam door arbeidsmigratie. Het tolerante beleid en de economische welvaart van de Republiek trok veel migranten aan. Kooplieden uit het buitenland die naar de Republiek kwamen, konden hier relatief snel en makkelijk in de rijkere burgerij integreren. Dat werd bevorderd door uithuwelijken met leden uit gevestigde families. Tevens was de vooral Calvinistische Republiek tolerant wat betreft andere godsdiensten.


De kooplieden-klasse in de republiek wilde graag pronken met hun succesvolle economische resultaten. Zij probeerden hun status te verhogen op drie manieren: 

1     Ten eerste lieten ze stadspaleizen bouwen binnen de grachtengordel. Enorme grachtenpanden schoten uit de grond, naast de pakhuizen. Dit is bijvoorbeeld te zien op de Herengracht bij de gouden bocht. De gouden bocht is een klein stukje van de Herengracht waar de duurste huizen staan. 


2     Een andere manier om de status te verhogen was door adellijke titels te verkrijgen. Deze titels konden gekocht worden door kooplieden, mede omdat de adel haar macht verloor. 


3     En de laatste manier om status te verhogen voor kooplieden was het aanschaffen van een buitenhuis. Dit waren enorme huizen met een groot landgoed eromheen. Kooplieden imiteerden graag de adel. Verder investeerden ze in scheepsbouw, kunst en wetenschap. 


Ruimte voor economische ontwikkelingen in Europa

Zoals we in de vorige video uitlegden kon de Republiek der Verenigde Nederlanden zich dus mede zo snel en omvangrijk ontwikkelen doordat haar belangrijkste concurrenten in Europa, het huidige Engeland, Frankrijk, Spanje en Duitsland, in verschillende vormen van strijd gewikkeld waren, intern of extern. Ook kon de Republiek, met haar sterke vloot, deze concurrenten vóór zijn in de uitbuiting van koloniën, wat veel rijkdom met zich meebracht. Zie bijvoorbeeld wat we over de VOC vertelden in de vorige video.


Eigenlijk duurde deze voorspoed in de noordelijke Nederlanden slechts ruim de eerste helft van de 17e eeuw. In 1648 werd door Spanje en de Republiek de Vrede van Münster getekend, die een einde maakte aan de 80-jarige oorlog. Ook de Vrede van Westfalen werd in dat jaar getekend. De Vrede van Westfalen maakte een einde aan de Dertigjarige oorlog in het heilig Roomse rijk (Duitsland). Deze Dertigjarige Oorlog was een oorlog waar veel Europese landen bij betrokken waren geraakt, dus het einde ervan zorgde voor politieke stabiliteit in Europa. Dat wil zeggen: een situatie van meer politiek-militair evenwicht. 


Door deze stabilisatie na 1648 konden veel van deze Europese landen hun energie en aandacht nu meer richten op economische groei, zoals die al eerder in de Republiek had plaatsgevonden. Nu kwam er dus meer concurrentie voor de Republiek. 


Mercantilisme en de gevolgen voor de Republiek

Het antwoord op deze economische bloei van de Republiek werd nu het mercantilisme.   Engeland en Frankrijk wilden hun economie natuurlijk óók aanmerkelijk versterken. Zij veranderden - nadat de de rust op het strijdfront was teruggekeerd - hun vrije economisch beleid, en ze voerden een mercantilistisch beleid in. 


Dit mercantilisme hield in dat de eigen economie werd beschermd door het invoeren van overheidsmaatregelen. Ofwel: Protectie! Belastingen op buitenlandse producten werden bijvoorbeeld verhoogd om de import van goederen tegen te gaan, zodat mensen gestimuleerd werden om eigen, nationale producten kopen. De bedoeling van dit beleid was dat het geld in eigen land bleef. Het mercantilistische beleid van Frankrijk en Engeland had grote gevolgen voor de Republiek. Omdat de relatief kleine Republiek het immers moest hebben van zijn export, werd ze economisch hier sterk door getroffen. 


Kapitaalvlucht

Zo zorgde het mercantilisme ervoor dat de handel van de Republiek aanmerkelijk minder winstgevend werd. Hierdoor trokken regenten/kooplieden uit de republiek zich terug uit de handel van de Republiek. Zij investeerden liever elders en leenden hun geld eerder uit aan buitenlandse ondernemers, waardoor de economie binnen de Republiek enorm terugviel.  Dit noemen we kapitaalvlucht. Er werd ook minder geïnvesteerd in nieuwe molens of gewassen in de Republiek. 


Oligarchie

De regenten probeerden niet alleen hun eigen economische positie veilig te stellen, maar ook hun politieke macht. Door bestuurlijke functies vooral door te geven aan familieleden ontstonden er een paar machtige behoudzuchtige families in de Nederlanden, die de belangrijkste bestuursfuncties in handen hadden. Een politiek systeem dat ook wel een oligarchie wordt genoemd. Oligarchie is een Oud Grieks woord. Het betekent letterlijk: weinigen heersen. Dus: de macht binnen een samenleving is dan in handen van een kleine groep mensen. En als die groep vooral het eigenbelang op het oog heeft, in plaats van die van de hele samenleving, kan dat grote problemen veroorzaken.


Politieke gevolgen binnen de Republiek: machtsstrijd

Het terugtrekken uit de economie en de onderlinge verdeling van machtsposities werd de regenten niet in dank afgenomen door de middenklasse en het gemeen. Het gemeen was de armste bevolkingsgroep in de Republiek. Zij had een stuk minder geprofiteerd van de relatieve welvaart van de gouden eeuw. Hierdoor ontstonden er tegenstellingen tussen de regenten en het gemeen. Dat was spanning 1. 


Spanning 2 ontstond al eerder tussen de machthebbers. Zoals we in eerdere video’s hierover ook al zagen, werden de Nederlanden, de gewesten dus, geleid door een Raadspensionaris, oftewel landsadvocaat. Hij werd gekozen door de Staten van bijvoorbeeld Holland, Zeeland of Utrecht. Hij was officieel adviseur en vertegenwoordigde zo’n gewest in de Staten Generaal van de Republiek. 


In de praktijk bleek de Raadspensionaris van het Gewest Holland het meeste aanzien en macht te hebben, en hij vertegenwoordigde al snel alle gewesten naar buiten toe. Hij werd als regeringsleider gezien van de Republiek. Zo kon bijvoorbeeld Raadspensionaris Johan de Wit namens de Republiek lange tijd Frankrijk en Engeland tegen elkaar uitspelen. Deze landen hadden te kampen met opstanden of andere interne problemen, zodat de Republiek zich economisch verder kon ontwikkelen.


Macht van de stadhouder

Een andere machthebber was de stadhouder. Hij was aangewezen door de gewesten van de Republiek als opperbevelhebber van het leger. Van oudsher was dat iemand van het Huis van Oranje Nassau. Heel lang was dat bijvoorbeeld Willem II van Oranje. Er waren altijd al conflicten tussen hem en de Staten Generaal over het geld dat hij zei nodig te hebben voor het leger. Ook maakte hij aanspraak op een nog niet bestaande troon van de Nederlanden. In 1750 probeerde hij met een gewelddadige aanslag op Amsterdam de macht te grijpen. Dat mislukte. 


Na zijn dood hadden de regenten in de Nederlanden genoeg van de Oranje stadhouders met hun aanspraak op de macht, en ze besloten het zonder stadhouder te doen. Ze wilden de soevereiniteit voor de gewesten behouden, maar wel onder leiding van de raadspensionaris die zij zelf hadden aangesteld. Zo ontstond het stadhouderloze tijdperk.


Oranjegezinden vs. staatsgezinden

De raadpensionaris leek nu de machtigste bestuurder in de republiek. Dit was Johan de Wit. Tot nu toe had hij de economisch en militair - vooral op zee - succesvolle Republiek kundig op het wereldtoneel gezet. Hij was aangesteld door de regenten. Maar er waren twee kampen in de Republiek ontstaan. Het Oranjegezinde en het Staatsgezinde kamp. Vooral doordat de voorspoed van de eerste helft van de 17e eeuw begon te verminderen, ontstond er onvrede. Het ging allemaal om de angst om de welvaart verder kwijt te raken. We zien twee bewegingen:


Het gemeen

Het gemeen had het toch al niet erg breed. Men dacht in deze kringen dat ze meer hadden aan een sterke leider, die boven de grote steden en gewesten stond. Die gewesten werden namelijk vooral bestuurd door de regenten, die altijd alleen maar op hun eigen belang uitwatering. Het gemeen vond dat de soevereiniteit van de verschillende gewesten moest komen te liggen bij één orgaan: de Staten-Generaal, onder leiding van een lid van de Oranjedynastie die ook het leger controleerde. 


De regenten

Daar dachten regenten in de gewesten dus heel anders over. En de orangisten, de Oranjegezinden, zagen hoe regenten vooral hun handel en bezit probeerden veilig te stellen, nu de economie van Frankrijk en Engeland begon op te komen. Dat werd bonje. Er waren relletjes, opstandige groepen.

 

Rampjaar 1672: redeloos, radeloos, reddeloos

In 1672 liep de situatie écht uit de hand. Dit jaar wordt het Rampjaar genoemd. Een vooruitziend gezegde uit die tijd luidde: Het volk is redeloos, de regering radeloos en het land is reddeloos.


Frankrijk en Engeland sloten een verbond met elkaar en met de rooms-katholieke bisschoppen uit Münster en Keulen. Men had elders in Europa genoeg van de welvarende en Calvinistische Nederlanden. De Republiek werd in 1672 aangevallen vanuit drie kanten. Engeland kwam vanaf de zee. Hier had de Republiek nog wel een antwoord op, omdat er veel was geïnvesteerd in de marine. Ook de Duitse staten Keulen en Munster in het Oosten konden nog bedwongen worden, omdat hun legers niet enorm sterk waren. Maar het Franse leger vanuit het Zuiden was niet te stoppen. Frankrijk bezette 2 jaar lang een groot deel van de republiek, vooral de Zuidelijk gewesten.


Het Rampjaar werd Johan de Witt fataal. Hij werd door de Oranjegezinden nu namelijk ook verantwoordelijk gesteld voor de buitenlandse problemen. Al zijn successen in de voorgaande jaren waren in één klap vergeten. Johan de Witt en zijn broer Cornelis werden tijdens een gruwelijke lynchpartij vermoord. Hun lichamen werden in stukken gesneden en door het volk in euforie rondgedragen.


Het einde van de Gouden Eeuw

In feite was dit het definitieve eind van het Stadhouderloze Tijdperk en van de zogenaamde Gouden Eeuw. De rijke kooplieden plaatsten hun kapitaal in het buitenland. Voor de Orangisten een nieuw bewijs voor de onbetrouwbaarheid van de Staatsgezinden. Vele van de laatsten moesten hun bestuursposities opgegeven.


Door het gedrag van de rijke kooplieden en de toenemende concurrentie in de wereldhandel raakte de Republiek haar leidende positie tenslotte kwijt aan Engeland. Londen begon de rol over te nemen van Amsterdam als stapelmarkt en als Europees (zo niet mondiaal) centrum van handel en het bankwezen. Dat vond uiteindelijk z’n beslag in de 18e eeuw. 


Het Rampjaar duurde ongeveer in feite 17 maanden volgens historici. Banken, scholen, winkels, rechtbanken en schouwburgen werden gesloten. Kunsthandelaren en -schilders gingen failliet aan de gevolgen van de heftige crisis. Bijna alles wat men in de jaren daarvoor zo mooi had opgebouwd, leek verloren te gaan.